ECLI:NL:GHAMS:2002:AE2361
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Dutmer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waardering woningcorporatiewoning voor WOZ-waarde zonder rekening te houden met overdrachtsbeperkingen
Belanghebbende, gebruiker van een woningcorporatiewoning gelegen aan A-straat 4 te P, maakte bezwaar tegen de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van ƒ 284.000 (circa €128.873) per 1 januari 1999. Belanghebbende stelde dat de waarde niet vergelijkbaar is met woningen op de vrije markt vanwege de verkoopbeperkingen die woningcorporaties hebben, en dat de waardering op basis van marktwaarde niet toepasbaar is. Tevens voerde belanghebbende aan dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat vergelijkbare woningen binnen hetzelfde project ongelijk werden gewaardeerd.
Het Hof oordeelde dat de Wet WOZ een objectieve waardering verlangt waarbij persoonlijke beperkingen, zoals de verkoopbeperking die woningcorporaties treffen, buiten beschouwing blijven. Het arrest van de Hoge Raad uit 1987 bevestigt dat dergelijke beperkingen de woningcorporatie persoonlijk betreffen en niet de waarde in het economische verkeer drukken. De door belanghebbende voorgestelde waarderingsmethoden, zoals huurprijsregulering of bedrijfswaarde, vinden geen steun in de wet.
Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde, omdat verweerder aannemelijk maakte dat verschillen in waardering berusten op objectieve verschillen in woningkenmerken zoals inhoud, grondoppervlakte, type en onderhoudstoestand. Belanghebbende maakte onvoldoende aannemelijk dat er sprake was van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de vastgestelde WOZ-waarde gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde WOZ-waarde van ƒ 284.000 gehandhaafd.