ECLI:NL:GHAMS:2002:AE7516
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Onnes
- Boersma
- Goes
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zeedagenaftrek voor werkende op verplaatsbare boorconstructie
Belanghebbende, werkzaam op een verplaatsbare boorconstructie (de FG), stelde zich op het standpunt dat hij recht had op de zeedagenaftrek op grond van artikel 37, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De FG is een stalen constructie met drie poten die op de zeebodem rusten en kan verplaatst worden door te drijven, maar beschikt niet over eigen voortstuwing.
Het geschil betrof de vraag of de FG als zeeschip in de zin van de Zeebrievenwet kan worden aangemerkt, wat een vereiste is voor toepassing van de zeedagenaftrek. Het hof oordeelde dat de FG primair is bestemd voor het uitvoeren van boorwerkzaamheden op de zeebodem en slechts drijft om verplaatst te worden, waardoor het niet voldoet aan de criteria van een zeeschip.
Belanghebbende voerde tevens een beroep op het gelijkheidsbeginsel aan, stellende dat zijn situatie vergelijkbaar is met werkenden op een drijvend ponton die wel recht hebben op de aftrek. Het hof vond echter dat de wetgever een objectieve en redelijke rechtvaardiging heeft voor de beperking van de aftrek tot werkenden op zeeschepen, en dat de beoordelingsvrijheid van de wetgever niet was overschreden.
Daarmee werd het beroep ongegrond verklaard. Het hof oordeelde ook dat de intrekking van het bezwaar door de gemachtigde geen beletsel vormde voor de ontvankelijkheid van het bezwaar van belanghebbende zelf, dat tijdig was ingediend.
De uitspraak werd gedaan door het Gerechtshof Amsterdam op 29 augustus 2002.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard omdat de boorconstructie geen zeeschip is en de zeedagenaftrek niet van toepassing is.