ECLI:NL:HR:2004:AP0226
Hoge Raad
- Cassatie
- A.G. Pos
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verduidelijkt begrip zeeschip voor toepassing zeedagenaftrek
Belanghebbende werkte in 1998 en 1999 aan boord van een booreiland (G) dat drijvend kan zijn of op de zeebodem rust via drie poten. Hij was in die jaren 195 dagen per jaar op G aanwezig en vorderde de zeedagenaftrek op zijn inkomstenbelasting.
Het Hof oordeelde dat G geen zeeschip was omdat het hoofdzakelijk was geconstrueerd om op de zeebodem te staan en niet om te drijven, en wees de aftrek af. De Hoge Raad corrigeert deze uitleg en stelt dat de woorden "uitsluitend of in hoofdzaak" in artikel 8:2 BW Pro betrekking hebben op "in zee" en niet op de drijfbestemming.
De Hoge Raad concludeert dat G als schip in de zin van artikel 8:1 BW Pro kwalificeert en daarmee als zeeschip voor de zeedagenaftrek. De aanslagen worden verminderd met de aftrek over 195 zeedagen per jaar. Proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofvonnis en kent de zeedagenaftrek toe, waardoor de aanslagen worden verminderd.