ECLI:NL:GHAMS:2002:AE9723

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05/549
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Beukers-Van Dooren
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Wet op de loonbelasting 1964Art. 23 Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingenArt. 32 Wet op de loonbelasting 1964Art. 1 GrondwetArt. 14 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt uitsluiting grootaandeelhouders van werknemersspaarregelingen

Belanghebbende, een vennootschap waarvan alle aandelen in handen zijn van A, diende beroep in tegen naheffingsaanslagen loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd door de inspecteur. Deze aanslagen hadden betrekking op de premiespaarregeling en spaarloonregeling die alleen openstonden voor A en zijn echtgenote, de enige werknemers van de vennootschap.

Het geschil betrof de vraag of deze regelingen terecht waren uitgesloten op grond van artikel 23 van Pro de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen (URWW). Belanghebbende voerde aan dat deze uitsluiting met ingang van 1997 onverbindend was en dat de regeling in strijd was met het gelijkheidsbeginsel en internationale verdragsbepalingen.

Het Hof oordeelde dat de ministeriële regelgever bevoegd was om regelingen uit te sluiten die uitsluitend openstaan voor werknemer/grootaandeelhouders indien zij de enige werknemers zijn. De uitsluiting was niet in strijd met de Grondwet, het EVRM of het IVBPR. Ook indien de uitsluiting mede betrekking zou hebben op werknemers met een kleiner aandelenpakket, leidt dit niet tot onverbindendheid van de uitsluiting voor de onderhavige situatie.

Daarom werd het beroep ongegrond verklaard. Het Hof zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en wees op de mogelijkheid tot cassatie bij de Hoge Raad binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslagen worden bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Dertiende Enkelvoudige Belastingkamer
UITSPRAAK
op het beroep van X te Z, belanghebbende,
tegen
twee uitspraken van het Hoofd van de Belastingdienst P, de inspecteur.
1. Loop van het geding
Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 8 januari 2002, aangevuld bij faxbericht van 20 maart 2002.
Het beroep is gericht tegen twee uitspraken van de inspecteur, beide gedagtekend 7 december 2001, betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de loonbelasting/premie volksverzekeringen onderscheidenlijk voor de tijdvakken 1 januari 1996 tot en met 31 december 1997 en 1 januari 1998 tot en met 31 december 2000.
Aan belanghebbende zijn voor de tijdvakken 1 januari 1996 tot en met 31 december 1997 en 1 januari 1998 tot en met 31 december 2000 naheffingsaanslagen opgelegd tot bedragen van ƒ 4.443, onderscheidenlijk ƒ 7.127 aan loonbelasting/premie volksverzekeringen. Na bezwaar tegen de naheffingsaanslagen zijn deze bij de bestreden uitspraken verminderd tot ƒ 1.951 onderscheidenlijk ƒ 6.176 aan loonbelasting/premie volksverzekeringen.
Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraken van de inspecteur en van de naheffingsaanslagen.
De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Het Hof heeft, nadat partijen daartoe in het beroepschrift, onderscheidenlijk het verweer-schrift toestemming hebben gegeven, bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
2. Tussen partijen vaststaande feiten
2.1. Belanghebbende is opgericht in 1988. Alle aandelen in het vermogen van belanghebbende worden gehouden door A. In de tijdvakken waarop de in geding zijnde naheffingsaanslagen betrekking hebben, zijn A en zijn echtgenote, B, de enige werknemers van belanghebbende.
2.2. Belanghebbende heeft ten behoeve van haar werknemers een premiespaarregeling (hierna: de premiespaarregeling) getroffen, waarvan de tekst - voor zover te dezen van belang - als volgt luidt:
" Begripsomschrijving
Artikel 1
In dit reglement wordt verstaan onder
Werkgever: X gevestigd te Z.
Deelnemer: de werknemer, die deelneemt aan de premiespaarregeling, waarop dit reglement van toepassing is.
(…)
Deelneming
Artikel 2
1. Aan de premiespaarregeling mag worden deelgenomen door alle werknemers.
(…)
Slotbepalingen
(…)
Artikel 15
Deze premiespaarregeling treedt in werking op 01-01-1988 en is laatstelijk gewijzigd per 01-01-1997. "
2.3. Belanghebbende heeft ten behoeve van haar werknemers een spaarloonregeling (hierna: de spaarloonregeling) getroffen, waarvan de tekst - voor zover te dezen van belang - als volgt luidt:
" Begripsomschrijving
Artikel 1
In dit reglement wordt verstaan onder
Werkgever: X gevestigd te Z.
Deelnemer: de werknemer, die deelneemt aan de spaarloonregeling, waarop dit reglement van toepassing is.
(…)
Deelneming
Artikel 1
1. Aan de spaarloonregeling mag worden deelgenomen door alle werknemers.
(…)
Slotbepalingen
(..)
Artikel 15
Deze spaarloonregeling treedt in werking op 01-05-1988 en is laatstelijk gewijzigd per 01-01-1997. "
2.4. A en B hebben deelgenomen aan de hiervoor vermelde premiespaarregeling en spaarloonregeling. Op de toegekende spaarpremies en het betaalde spaarloon heeft belanghebbende geen loonbelasting/premie volksverzekeringen ingehouden; wel heeft hij ter zake van het betaalde spaarloon loonbelasting in de vorm van eindheffing betaald. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de onderhavige regelingen op grond van artikel 23 van Pro de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen (hierna: URWW) zijn uitgesloten als premiespaarregeling als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet), onderscheidenlijk spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 (voor 1996: 34a) van de Wet. Omdat belanghebbende naar zijn oordeel ten onrechte inhouding en afdracht van loonbelasting/premie volksverzekeringen achterwege heeft gelaten, heeft hij de in geding zijnde naheffingsaanslagen opgelegd. Na bezwaar heeft hij de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 1996 tot en met 31 december 1997 verminderd met onder meer de daarin begrepen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen die betrekking heeft op het jaar 1996.
3. Geschil
In geschil is of de hiervoor bedoelde premiespaarregeling en spaarloonregeling zijn uitgesloten op grond van artikel 23 van Pro de URWW. Voorts is in geschil of vermeld artikel 23 met Pro ingang van 1997 haar verbindende kracht heeft verloren. Ten slotte is in geschil of vermeld artikel 23 buiten Pro toepassing moet blijven wegens strijd met artikel 1 van Pro de Grondwet, met artikel 14 van Pro het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 26 van Pro het Internationale verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
4. Standpunten van partijen
Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.
5. Beoordeling van het geschil
5.1. Belanghebbende stelt primair dat de premiespaarregeling en de spaarloonregeling niet uitsluitend zijn opengesteld voor een werknemer met een aanmerkelijk belang in de vennoot-schap van de werkgever en zijn echtgenoot of partner met wie hij duurzaam een gemeenschap-pelijke huishouding voert. Niet in geschil is dat A in het onder-havige tijd-vak een aanmerkelijk belang had in belanghebbende. Voorts is niet in geschil dat A en zijn echtgenote de enige werknemers van belanghebbende waren. Artikel 2 van Pro de premiespaarregeling en artikel 2 van Pro de spaarloonregeling, die bepalen dat de des-betreffende regeling openstaat voor alle werknemers van belanghebbende, brengen dan mee dat de vermelde regelingen uitsluitend openstaan voor A en zijn echt-genote. Dat de beide regelingen deelname ook openstellen voor eventuele andere werk-nemers van belanghebbende doet daaraan naar 's Hofs oordeel niet af, nu in de onderhavige tijdvakken belanghebbende geen andere werknemers had. Onder deze omstandigheden sluit artikel 23 van Pro de URWW de onderhavige regelingen uit als premiespaarregeling als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet), onderscheidenlijk spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 van Pro de Wet.
5.2. Belanghebbende stelt subsidiair dat artikel 23 van Pro de URWW met ingang van 1997 onverbindend is, omdat het de grenzen te buiten gaat die zijn gesteld in artikel 11, vijfde lid, en artikel 32, vierde lid, van de Wet, nu met ingang van dat jaar onder omstandigheden een klein aandelenbezit reeds wordt aangemerkt als een aanmerkelijk belang en de houder van een aandelenpakket van een dergelijke omvang niet is aan te merken als grootaandeelhouder. Het Hof is van oordeel dat het de ministeriële regelgevers vrijstond als premiespaarregeling en spaarloonregeling uit te sluiten regelingen die uitsluitend openstaan voor een werknemer/grootaandeelhouder indien deze de enige werknemer is of uitsluitend voor de werknemer/grootaandeelhouder en zijn echtgenoot of partner, indien zij de enige werknemer zijn (Hoge Raad 15 december 19999, nr. 32.263, BNB 2000/211). Voorts is het Hof van oordeel dat A als enig aandeelhouder ongetwijfeld grootaandeelhouder van belanghebbende is. Naar 's Hofs oordeel is de ministeriële regelgever zijn bevoegdheid dan ook niet te buiten te gaan door regelingen als die hier aan de orde zijn, uit te sluiten. Weliswaar heeft deze uitsluiting met ingang van 1997 mede betrekking op werknemers/aandeelhouders met een veel kleiner aandelenpakket, maar, zo dat al tot onverbindendheid van de bedoelde uitsluiting zou leiden, dan gaat deze onverbindendheid naar 's Hofs oordeel niet zo ver dat deze ook zou gelden voor de uitsluiting van regelingen als de onderhavige, waar zonder twijfel sprake is van een werknemer/grootaandeelhouder.
5.3. Belanghebbende stelt meer subsidiair dat artikel 23 van Pro de URWW in strijd komt artikel 1 van Pro de Grondwet, met artikel 14 van Pro het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 26 van Pro het Internationale verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), doordat vermeld artikel 23 met Pro ingang van 1997 niet slechts betrekking heeft op werknemers/grootaandeel-houders en hun echtgenoten en partners, maar mede op werknemers/aandeelhouders met een veel kleiner aandelenpakket en hun echtgenoten en partners. Het Hof is van oordeel dat de wetgever, en in zijn voetspoor de regelgever, zonder in strijd te komen met enige Verdragsregel de werknemer/grootaandeelhouder en diens echtgenoot of partner kon uitsluiten van de fiscale faciliteiten op het gebied van de premiespaarregeling en de spaarloonregeling (Hoge Raad 15 december 1999, nr. 32.263, BNB 2000/211). Weliswaar heeft deze uitsluiting met ingang van 1997 mede betrekking op werknemers/aandeelhouders met een veel kleiner aandelenpakket, maar, zo dat al tot onverbindendheid van de bedoelde uitsluiting zou leiden, dan gaat ook deze onverbindendheid naar 's Hofs oordeel niet zo ver dat deze ook zou gelden voor de uitsluiting van regelingen als de onderhavige, waar zonder twijfel sprake is van een werknemer/grootaandeelhouder.
5.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond is.
6. Proceskosten
Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
7. Beslissing
Het Hof verklaart het beroep ongegrond.
De uitspraak is vastgesteld op 28 oktober 2002 door mr. Beukers-Van Dooren, in tegenwoordigheid van mr. Van de Merwe als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.
Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).
2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.
3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.