ECLI:NL:GHAMS:2002:AF2626
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Brouwer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale boete wegens niet-verantwoorde omzetbonussen in apothekerspraktijk
Belanghebbende, een apothekerspraktijk, ontving in de jaren 1994-1999 omzetbonussen die niet in de administratie werden verantwoord. Na een boekenonderzoek en een FIOD-onderzoek legde de inspecteur naheffingsaanslagen en een 100% boete op wegens opzettelijk te weinig afgedragen belasting.
Belanghebbende voerde aan dat het Nederlandse fiscale procesrecht in boetezaken in strijd is met artikel 14, vijfde lid van het IVBPR, omdat er geen tweede feitelijke instantie is, en dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden. Het Hof oordeelde dat artikel 21 AWR Pro niet onverenigbaar is met het IVBPR en dat het verschil tussen fiscale boetes en strafrecht rechtvaardigt dat er geen tweede feitelijke instantie is in boetezaken.
Het Hof stelde vast dat belanghebbende willens en wetens te weinig belasting heeft afgedragen, mede door listigheid en samenspanning met de zoon die de bonussen buiten de boeken hield. De opgelegde boete van 100% is daarom terecht. Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de 100% boete wordt bevestigd.