ECLI:NL:GHAMS:2003:AG1656
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.J. van Hilten
- M.E. Beukers-van Dooren
- J. Otto
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vrijval van schuld na faillissement in belastingaanslag 1996
Belanghebbende, een tuinder die in 1992 failliet werd verklaard, had nog een schuld aan de Rabobank van bijna ¦ 700.000. De Rabobank stelde in 1995 dat de vordering was opgelopen tot ruim ¦ 776.000, maar had geen invorderingsmaatregelen getroffen. De inspecteur van de Belastingdienst waardeerde de schuld in 1996 af, waardoor een winstvermeerdering ontstond die tot een hogere belastingaanslag leidde.
Het Hof oordeelde dat de schuld niet verplicht vrij moest vallen in 1996 omdat de vordering niet verjaard was en de bank nog steeds het recht had om de schuld te innen. De brief van de Rabobank uit 1995 stuitte de verjaring, en het feit dat de bank geen actie ondernam, betekende niet dat de schuld was kwijtgescholden. Ook interne besluiten van de bank die niet aan belanghebbende waren medegedeeld, schepten geen rechten.
Het Hof vernietigde daarom de uitspraak van de inspecteur, stelde het belastbaar inkomen na verliesverrekening op nihil en veroordeelde de inspecteur in de proceskosten. De schuld bleef gewaardeerd op de nominale waarde, omdat er nog een reële kans bestond dat de bank de schuld geheel of gedeeltelijk zou kwijtschelden.
Uitkomst: De schuld aan de Rabobank werd niet afgewaardeerd en het belastbaar inkomen werd na verliesverrekening op nihil gesteld.