ECLI:NL:GHAMS:2004:AO5610
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Faase
- Rechtspraak.nl
Gelijkheidsbeginsel bij waardering woonboerderij en agrarische boerderij in Wet WOZ
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woonboerderij, vastgesteld op €661.611, en stelde dat de waarde te hoog was. Hij voerde aan dat agrarische boerderijen stelselmatig lager worden gewaardeerd dan woonboerderijen, terwijl deze in gelijke gevallen zouden zijn, en dat de gemeente een begunstigend beleid voert ten aanzien van agrarische boerderijen.
Het Hof stelde vast dat agrarische boerderijen en woonboerderijen in beginsel gelijke gevallen vormen volgens artikel 17 van Pro de Wet WOZ, omdat de waarde moet worden vastgesteld alsof het object direct en volledig in gebruik kan worden genomen, ongeacht de bestemming. Het Hof concludeerde dat de gemeente ten onrechte rekening hield met waardedrukkende factoren van het agrarisch bedrijf bij agrarische boerderijen, wat leidde tot ongelijke behandeling.
Verder werd vastgesteld dat een deel van het perceel water betreft zonder waarde. Het Hof stelde de waarde van de woonboerderij vast op €373.461, aanzienlijk lager dan de oorspronkelijke waardering. De beroepen tegen de beschikking betreffende de woonboerderij werden gegrond verklaard, terwijl het beroep tegen de beschikking betreffende de woning niet-ontvankelijk werd verklaard.
Tot slot veroordeelde het Hof de gemeente tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende. De uitspraak werd gedaan door mr. Faase namens het Hof Amsterdam op 11 februari 2004.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woonboerderij wordt verminderd tot €373.461 wegens ongerechtvaardigde waardedrukkende correcties bij agrarische boerderijen.