ECLI:NL:GHAMS:2004:AP2473
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Van Loon
- Kostense
- Kooijman
- Rechtspraak.nl
Geen voorziening voor toekomstige gedifferentieerde WAO-premies volgens Wet PEMBA
Belanghebbende, een besloten vennootschap met dochtermaatschappijen, maakte een voorziening op haar balans voor toekomstige hogere gedifferentieerde WAO-premies die voortvloeien uit de Wet PEMBA. Deze voorziening was gebaseerd op een contante waarde van de extra premies die zij verwachtte te moeten betalen vanwege arbeidsongeschiktheid van werknemers.
De inspecteur corrigeerde deze voorziening en hield vast aan het standpunt dat dergelijke premies niet als voorziening mogen worden opgenomen, omdat de premies moeten worden toegerekend aan het jaar waarin het loon wordt genoten. De zaak werd behandeld door het Gerechtshof Amsterdam, dat het beroep van belanghebbende ongegrond verklaarde.
Het hof motiveerde dat de wettelijke bepalingen inzake WAO-premies voorschrijven dat zowel de basispremie als de gedifferentieerde premie worden geheven over het loon van het tijdvak waarin de betaling plaatsvindt. Hierdoor kan geen voorziening worden gevormd voor toekomstige premies die betrekking hebben op toekomstige loontijdvakken, ook al zijn deze premies mede gebaseerd op gebeurtenissen uit het verleden.
De uitspraak bevestigt dat het vormen van een voorziening voor toekomstige gedifferentieerde WAO-premies niet in overeenstemming is met goed koopmansgebruik en de relevante fiscale wetgeving. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van de vennootschap tegen de aanslag vennootschapsbelasting 1999 wordt ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.