ECLI:NL:GHAMS:2004:AQ5417
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van Loon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verdeling huurwaardeforfait en hypotheekrente bij gezamenlijke woningbezit
Belanghebbende en zijn partner B waren gezamenlijk eigenaar van een woning te Hoofddorp en hadden een gezamenlijke hypotheeklening. In 1998 sloten zij een overeenkomst over de verdeling van hun bezittingen, waaronder de woning en een stuk grond in Spanje waarop een tweede woning werd gebouwd. De inspecteur stelde bij de aanslag inkomstenbelasting 1999 vast dat het huurwaardeforfait en de hypotheekrente gelijkelijk verdeeld moesten worden, terwijl belanghebbende een afwijkende verdeling voorstond.
Belanghebbende voerde aan dat de overeenkomst van 1 juli 1998 reeds bestond en dat hij recht had op een andere verdeling van het huurwaardeforfait en de rente. Het hof oordeelde echter dat belanghebbende dit niet aannemelijk had gemaakt, mede omdat latere transacties en verplichtingen wezen op een gezamenlijke hoofdelijke aansprakelijkheid en een gelijke verdeling.
Het hof verwierp ook het beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat de inspecteur in voorgaande jaren slechts de aangifte had gevolgd zonder een bewuste standpuntbepaling. Gezien de feiten en omstandigheden was het terecht dat de inspecteur bij de aanslag 1999 uitging van een 50%-verdeling van het huurwaardeforfait, de hypotheekrente en de depotrente.
Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd mondeling gedaan op 15 juli 2004 door mr. Van Loon, lid van de belastingkamer.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de inspecteur heeft terecht rekening gehouden met 50% van het huurwaardeforfait en de rente.