ECLI:NL:GHAMS:2004:AQ8864
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Van der Ouderaa
- Slijpen
- Smit
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof bevestigt belastingheffing over verkoopopbrengst aandelen ondanks beding voor opbrengstafdracht
In 1995 verkocht Vereniging X haar dochtervennootschap Z BV aan Y Holding B.V., waarbij werd bedongen dat Vereniging X bij een latere verkoop door Y Holding B.V. recht heeft op een deel van de opbrengst. In 1999 vond een dergelijke verkoop plaats aan H B.V. Het geschil betrof de vraag of het bedrag van ƒ 70.110.000 dat aan het I Instituut (rechtsopvolger van Vereniging X) werd doorbetaald, in mindering kon worden gebracht op de belastbare winst van belanghebbende.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende slechts een verlies kon nemen indien zij volledig gerechtigd was tot de verkoopopbrengst, maar dat op grond van de akte van overdracht en het beding in artikel 9 en Pro 10 een deel van de opbrengst direct toekwam aan het I Instituut. Dit betekent dat belanghebbende niet volledig gerechtigd was tot de opbrengst, en het doorbetaalde bedrag geen winst voor haar vormde.
Daarmee kon het doorbetalen van het bedrag aan het I Instituut niet leiden tot een verlies en was het beroep van belanghebbende ongegrond. Het Hof verwierp tevens het standpunt dat sprake was van een voorwaardelijke schuld die in 1999 ten laste van de winst kon komen, omdat de premisse dat het bedrag tot de winst behoorde onjuist was.
Het Hof zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigde de aanslag vennootschapsbelasting 1999 van ƒ 53.260.000. Tegen deze uitspraak staat cassatie open bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag vennootschapsbelasting 1999 wordt gehandhaafd.