ECLI:NL:GHAMS:2004:AR6138
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Van der Ouderaa
- Faase
- Slijpen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling deelnemingsvrijstelling bij vervreemding minderheidsbelang na beursgang
Belanghebbende verwierf in 1995 een deelneming in G BV, later omgezet in G NV, waarvan zij voor de beursgang in 2000 een belang van 6,3% hield. Na de beursgang daalde dit belang onder de 5%, waarna zij het resterende belang met verlies vervreemdde. Het geschil betrof of dit resterende belang nog als deelneming of gelijkgestelde deelneming kwalificeert volgens artikel 13 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
Het Hof stelde vast dat belanghebbende en haar dochter DBV niet uitsluitend als belegger optraden, maar een actieve betrokkenheid hadden bij G, onder meer via leningen, borgstellingen, en deelname aan bestuursorganen. Ook na overdracht van activiteiten bleef er een nauwe relatie bestaan, wat het karakter van een deelneming bevestigt.
De rechtbank verwierp het standpunt van belanghebbende dat het belang na de beursgang geen deelneming meer was vanwege het dalen onder de 5%-grens. Het Hof oordeelde dat ook feiten en omstandigheden voor die datum relevant zijn en dat het belang als gelijkgestelde deelneming moet worden aangemerkt. Hierdoor is het verlies uit vervreemding en afwaardering aftrekbaar onder de deelnemingsvrijstelling.
De conclusie is dat het beroep ongegrond is verklaard en de uitspraak van de inspecteur wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het Hof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat het verlies uit vervreemding en afwaardering van het resterende belang in G NV onder de deelnemingsvrijstelling valt.