ECLI:NL:HR:2005:AU6907

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
41505
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 lid 3 Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest over deelnemingsvrijstelling na aandelenomwisseling

Belanghebbende, N.V. X, kreeg voor het jaar 2000 een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, die na bezwaar werd verminderd. Het Hof Amsterdam verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond. Belanghebbende stelde vervolgens cassatie in tegen deze uitspraak.

Het geschil betreft de vraag of na de omwisseling van aandelen in CCC SpA sprake blijft van een gelijkgestelde deelneming volgens artikel 13, lid 3, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, en of de aandelen slechts ter belegging werden gehouden. Het Hof had geoordeeld dat belanghebbende geen verlies mocht nemen uit afwaarderingen van haar belang in CCC, maar had niet onderzocht of de aandelen CCC ter belegging werden gehouden.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof dit aspect onvoldoende heeft gemotiveerd en vernietigt het arrest. De zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling, met inachtneming van de overwegingen van de Hoge Raad. Tevens worden proceskosten toegewezen aan belanghebbende.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling.

Uitspraak

Nr. 41.505
25 november 2005
RW
gewezen op het beroep in cassatie van N.V. X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 november 2004, nr. P02/06053, betreffende na te melden voorlopige aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Voorlopige aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een voorlopige aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 435.000.000, met een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting ten bedrage van ƒ 20.518.455.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. De middelen I tot en met VI kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.2. Middel VII is gericht tegen 's Hofs oordeel dat belanghebbende geen verlies in aanmerking kan nemen uit hoofde van de door haar gepleegde afwaarderingen per 31 december van het onderhavige jaar van haar belang in CCC SpA (hierna: CCC).
Bij voormeld oordeel heeft het Hof hetzij miskend dat na de omwisseling van de aandelen E N.V. (hierna: E) in CCC op 18 december 2000 de deelnemingsvrijstelling alleen dan van toepassing blijft indien belanghebbende de aandelen CCC - evenmin als de aandelen E vóór de omwisseling - niet slechts ter belegging houdt, hetzij, indien het Hof het voorgaande niet heeft miskend, zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, nu het Hof ter motivering van dat oordeel heeft verwezen naar zijn oordeel met betrekking tot de aandelen E, doch niet heeft onderzocht of de aandelen CCC al dan niet ter belegging werden gehouden. Het middel slaagt derhalve. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te ' s-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 409, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2005.