ECLI:NL:GHAMS:2004:AS7063
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Beukers-van Dooren
- Vrouwenvelder
- Meussen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van weigering positieve beschikking bij inbreng onderneming in BV in samenhang met overdracht en liquidatie
Belanghebbende verzocht de inspecteur om toepassing van artikel 18 lid 1 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bij de inbreng van zijn eenmanszaak in een besloten vennootschap. De inspecteur wees dit verzoek af, wat door belanghebbende werd aangevochten. Na eerdere procedures vernietigde de Hoge Raad de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam.
Het Hof onderzocht of na de inbreng sprake was van een onderneming in de zin van artikel 6 van Pro de Wet. De BV verhuurde bedrijfspanden en participeerde als commanditaire vennoot in een commanditaire vennootschap (C.V. F). De beperkte gerechtigdheid tot het liquidatiesaldo maakte dat de BV een onderneming dreef. Echter, de Hoge Raad oordeelde dat artikel 18 niet Pro van toepassing is als de inbreng deel uitmaakt van rechtshandelingen gericht op overdracht of liquidatie.
Het Hof stelde vast dat de inbreng en de oprichting van de commanditaire vennootschap samen gericht waren op overdracht van de onderneming aan voormalige werknemers en op liquidatie van de exploitatie van de panden. Belanghebbende was arbeidsongeschikt en vertrok naar het buitenland zonder intentie terug te keren. Bij beëindiging van de C.V. zou de BV haar onderneming staken. Het beroep van belanghebbende werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de weigering van de inspecteur om een positieve beschikking te geven wordt bevestigd.