ECLI:NL:GHAMS:2005:AS7261
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof bevestigt recht op zeedagenaftrek ondanks minder dan 180 zeedagen in jaar
Belanghebbende, werkzaam als scheepsofficier, maakte in 2002 minder dan 180 zeedagen, maar in voorgaande jaren meer dan 180. De inspecteur weigerde de zeedagenaftrek toe te passen omdat in 2002 niet aan de 180-dagen eis werd voldaan. Het Hof beoordeelde de betekenis van het begrip 'doorgaans' en concludeerde dat dit begrip grammaticaal moet worden uitgelegd als 'in de regel', zonder restrictieve bijzondere omstandigheden.
Het Hof nam de collectieve arbeidsovereenkomst en de verlofregeling mee in haar oordeel, waaruit bleek dat belanghebbende geacht wordt 183 dagen per jaar te varen. Het relatief lagere aantal zeedagen in 2002 werd als incidenteel beoordeeld, veroorzaakt door het 1-op/1-af verlofsysteem. Hierdoor werd vastgesteld dat belanghebbende aan de eis van doorgaans ten minste 180 zeedagen voldoet.
De aanslag werd verminderd door toepassing van de zeedagenaftrek op 161 zeedagen in 2002, wat resulteerde in een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.440. Het Hof verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en gelastte vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Belanghebbende heeft recht op de zeedagenaftrek ondanks minder dan 180 zeedagen in 2002, omdat hij doorgaans meer dan 180 zeedagen per jaar vaart.