ECLI:NL:GHAMS:2005:AS8912
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.A.G. van der Ouderaa
- E.F. Faase
- J.P.F. Slijpen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling kostenaftrekbeperking voor deelnemingen in derde landen in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een besloten vennootschap met deelnemingen in zowel EU/EER-landen als derde landen, betwist de weigering van de inspecteur om kosten die verband houden met deelnemingen in derde landen af te trekken van de winst over de jaren 2000 en 2001. Deze kosten werden niet als middellijk dienstbaar aan het behalen van in Nederland belastbare winst beschouwd, waardoor aftrek werd geweigerd op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
Het Hof analyseert de verhouding tussen deze nationale bepaling en het EG-recht, met name artikel 56 EG Pro (vrijheid van kapitaalverkeer) en artikel 57 EG Pro (uitzondering voor beperkingen die op 31 december 1993 bestonden). Het Hof volgt de jurisprudentie van het HvJ EG, waaronder het arrest Bosal, en oordeelt dat de kostenaftrekbeperking niet in strijd is met het EG-recht omdat deze onder de uitzondering van artikel 57 EG Pro valt.
Belanghebbende voerde aan dat artikel 57 EG Pro strikt moet worden uitgelegd en dat de beperking niet op 31 december 1993 bestond, maar het Hof verwerpt deze stelling en bevestigt dat de regeling als een bestaande beperking kan worden aangemerkt. Ook het beroep op het nondiscriminatiebeginsel in het kader van de Europa-Overeenkomst met Polen wordt verworpen, omdat geen sprake is van ongelijke behandeling.
Het Hof concludeert dat de kosten die verband houden met deelnemingen in derde landen niet in aftrek kunnen worden gebracht en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wijst het Hof op de mogelijkheid tot cassatie bij de Hoge Raad binnen zes weken na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de kostenaftrekbeperking blijft van toepassing.