ECLI:NL:GHAMS:2005:AT0478
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Woning niet als hoofdverblijf aangemerkt voor eigenwoningregeling inkomstenbelasting
Belanghebbende bezit een recreatiewoning en huurde daarnaast een flat. De inspecteur van de Belastingdienst weigerde de negatieve inkomsten uit de recreatiewoning als aftrekbare kosten te erkennen, omdat de woning niet als hoofdverblijf werd aangemerkt.
Het geschil betrof de vraag of de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking stond, zoals vereist in artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het hof stelde vast dat belanghebbende het gehele jaar stond ingeschreven op het adres van de flat en dat de feitelijke omstandigheden, zoals het adres waar rekeningen werden ontvangen en het geringe gebruik van nutsvoorzieningen, erop wezen dat de recreatiewoning niet als centrale levensplaats diende.
Het hof concludeerde dat de woning niet als eigen woning in de zin van de wet kon worden aangemerkt, waardoor de kosten niet aftrekbaar waren. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd omdat de woning niet als eigen woning kan worden aangemerkt.