ECLI:NL:GHAMS:2005:AT4562
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof bevestigt uitsluiting van belastingschulden bij berekening rendementsgrondslag in inkomstenbelasting
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2001, waarin de inspecteur een deel van de verschuldigde inkomstenbelasting over een honorarium niet in aanmerking had genomen bij de berekening van de rendementsgrondslag in box 3. Het Hof stelt vast dat de navorderingsaanslag tijdig is opgelegd en dat de belastingschuld voortvloeit uit een belastingwet waarop de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) van toepassing is.
Volgens artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden belastingschulden uitgesloten bij de berekening van de rendementsgrondslag om administratieve lasten te beperken en onnodige complexiteit te voorkomen. Belanghebbende voerde aan dat deze uitsluiting in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod uit het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, maar het Hof oordeelt dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat het onderscheid objectief en redelijk is gerechtvaardigd.
Het Hof wijst ook het beroep op de hardheidsclausule af, aangezien de rechter niet bevoegd is de redelijkheid en billijkheid van een wettelijke bepaling te toetsen. De bevoegdheid om in bijzondere gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden ligt bij de Minister van Financiën. De beroepsprocedure wordt ongegrond verklaard en belanghebbende wordt niet in de proceskosten veroordeeld.
Uitkomst: Het Hof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de navorderingsaanslag waarbij belastingschulden zijn uitgesloten van de rendementsgrondslag.