ECLI:NL:GHAMS:2005:AT5340
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen kwade trouw bij juridische fusie en vernietiging navorderingsaanslag 1996
Belanghebbende voerde beroep aan tegen navorderingsaanslagen over de jaren 1995, 1996 en 1997. Centrale kwestie was of een juridische fusie vóór 1 januari 1997 kon worden aangemerkt als een vervreemding van aanmerkelijk belangaandelen, hetgeen gevolgen heeft voor de heffing van inkomstenbelasting.
Het Hof oordeelde dat het standpunt van belanghebbende dat een juridische fusie geen vervreemding vormt pleitbaar was. De inspecteur had in een brief van 22 september 2000 een toezegging gedaan dat over 1996 geen navordering zou plaatsvinden, waardoor het vertrouwensbeginsel werd geschonden bij het opleggen van de navorderingsaanslag. Daarnaast was geen sprake van kwade trouw omdat belanghebbende de juridische fusie expliciet had gemeld en geen opzettelijk onjuiste aangifte had gedaan.
De navorderingsaanslag over 1996 werd vernietigd. Voor de jaren 1995 en 1997 bevestigde het Hof de uitspraken op bezwaar, maar oordeelde dat de Staat aansprakelijk is voor onrechtmatig overheidshandelen en veroordeelde tot vergoeding van de kosten van bezwaar- en beroepsprocedures. Het beroep was ontvankelijk en de proceskosten werden vastgesteld conform het geldende Besluit proceskosten bestuursrecht.
De uitspraak benadrukt het belang van het vertrouwensbeginsel bij navordering en bevestigt dat een verandering van inzicht van de inspecteur niet zonder meer tot navordering mag leiden als een toezegging is gedaan. Tevens wordt bevestigd dat het ontbreken van een nieuw feit navordering uitsluit en dat het pleitbare karakter van een standpunt kwade trouw uitsluit.
Uitkomst: De navorderingsaanslag over 1996 wordt vernietigd wegens schending van het vertrouwensbeginsel en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van schade en proceskosten.