ECLI:NL:GHAMS:2005:AT6423
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Bijlsma
- M.E. van Hilten
- A.J. Roke
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid Douanekamer bij aanvullend invoerrecht suiker in kader gemeenschappelijk landbouwbeleid
Belanghebbende, een besloten vennootschap, maakte bezwaar tegen een uitnodiging tot betaling van aanvullend invoerrecht op ruwe rietsuiker afkomstig uit de Nederlandse Antillen. Dit invoerrecht was geheven op basis van Europese verordeningen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Na afwijzing van het bezwaar door de inspecteur, stelde belanghebbende beroep in bij de Douanekamer van het Gerechtshof Amsterdam.
De kern van het geschil betrof de vraag of de Douanekamer bevoegd was om kennis te nemen van het beroep. Belanghebbende stelde dat het beroep ontvankelijk was omdat het aanvullend invoerrecht viel onder het begrip 'rechten bij invoer', waartegen beroep openstaat bij de Douanekamer. De inspecteur stelde dat het ging om landbouwheffingen, waarvoor het College van Beroep voor het bedrijfsleven exclusief bevoegd is.
Het hof overwoog dat het aanvullende invoerrecht een belasting is in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en dat deze belastingen bij invoer in Nederland als landbouwheffingen worden aangemerkt. Op grond van artikel 30d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevoegd en niet de Douanekamer. Het hof oordeelde dat het feit dat het Communautair douanewetboek deze rechten als invoerrechten classificeert, niet in de weg staat aan verschillende rechtsgangen in de lidstaten.
De Douanekamer verklaarde zich daarom onbevoegd kennis te nemen van het beroep. Beide partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot cassatie bij de Hoge Raad binnen zes weken na verzending van het arrest.
Uitkomst: De Douanekamer verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen de uitnodiging tot betaling van aanvullend invoerrecht suiker.