ECLI:NL:GHAMS:2005:AU0787

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
22 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/03441
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 227 GemeentewetArtikel 2 Verordening reclamebelasting gemeente PArtikel 5 Verordening reclamebelasting gemeente PArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aanslag reclamebelasting voor zichtbaar naambord op eigen terrein

Belanghebbende, gevestigd op een adres te Z, heeft een naambord met de tekst “X first in second hand clothing” dat zichtbaar is vanaf de openbare weg. De gemeente P legde een aanslag reclamebelasting van € 60 op vanwege dit bord. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag, stellende dat het bord op eigen terrein staat en geen reclamedoeleinden heeft, maar slechts een naamsaanduiding is.

Het gerechtshof oordeelt dat het bord voldoet aan de definitie van een openbare aankondiging zoals bedoeld in artikel 227 van Pro de Gemeentewet en de Verordening op de heffing van reclamebelasting van de gemeente P. Het feit dat het bord op eigen terrein staat, sluit heffing niet uit zolang het zichtbaar is vanaf de openbare weg. Ook is het begrip openbare aankondiging ruim uitgelegd en omvat het niet alleen reclame in enge zin, maar elke commerciële of ideële mededeling die de aandacht trekt.

De aanslag is daarom terecht opgelegd en het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn. De uitspraak is gedaan op 22 juni 2005 door het lid van de belastingkamer van het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag reclamebelasting bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Derde Enkelvoudige Belastingkamer
PROCES-VERBAAL
van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,
tegen
de uitspraak met dagtekening 20 augustus 2004 van het Sectorhoofd Belastingen van de gemeente P, verweerder, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de reclamebelasting voor het jaar 2004.
Het beroep is behandeld ter zitting van 8 juni 2005.
Beslissing
Het Hof verklaart het beroep ongegrond.
Gronden
1.1. Belanghebbende is gevestigd op het adres a-straat 1 te Z. Vóór het bedrijf staat een naambord met de tekst “X first in second hand clothing”.
1.2. Ter zake van bovengenoemd bord is aan belanghebbende met dagtekening 30 juni 2004 een aanslag in de reclamebelasting ten bedrage van € 60 opgelegd.
1.3. Op 1 juli 2004 is door belanghebbende een bezwaarschrift ingediend tegen deze aanslag. Na bezwaar heeft verweerder de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.
2. In geschil is of de aanslag reclamebelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd.
3.1. Verweerder stelt dat het bord een openbare aankondiging is die zichtbaar is vanaf de openbare weg, zodat sprake is van een belastbaar feit in de zin van artikel 227 van Pro de Gemeentewet.
3.2. Belanghebbende bestrijdt dat aanslag terecht aan haar is opgelegd. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd:
- het bord staat op eigen erf;
- het bord is louter bedoeld om aan te geven waar het bedrijf is gesitueerd en heeft derhalve geen reclamedoeleinden.
4. De hier toepasselijke Verordening op de heffing en invordering van reclamebelastingen 2004 van de gemeente P, vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 11 november 2003 (hierna ook: de Verordening) luidt onder meer als volgt:
Artikel 2 Belastbaar Pro feit
Onder de naam “reclamebelasting” wordt een belasting geheven ter zake van openbare aankondigingen die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg.
(…)
Artikel 5 Maatstaf Pro van heffing en tarief
De belasting bedraagt:
1.Voor het hebben van openbare aankondigingen, voor zover onverlicht, per vierkante meter per jaar € 15,00”
Niet in geschil is dat de omvang van het bord 4 m2 bedraagt en dat het bord onverlicht is, zodat uit het bepaalde bij of krachtens de Verordening volgt dat – indien zou komen vast te staan dat het bord is onderworpen aan de heffing van reclamebelasting – het bedrag van de aanslag € 60 dient te bedragen en derhalve tot het juiste bedrag is vastgesteld.
5. Het Hof oordeelt als volgt. Vaststaat, immers door zowel belanghebbende als verweerder gesteld, dat het litigieuze bord zichtbaar is vanaf de openbare weg. Evenmin is in geschil dat het bord kan worden aangemerkt als een openbare aankondiging als bedoeld in artikel 2 van Pro de Verordening. Hiermee voldoet het bord aan de omschrijving van het belastbare feit als omschreven in artikel 227 van Pro de Gemeentewet en het hierop gebaseerde artikel 2 van Pro de Verordening. De omstandigheid dat het bord op eigen terrein van belanghebbende is geplaatst, staat aan belastingheffing niet in de weg; het criterium is of het bord zichtbaar is vanaf de openbare weg.
6. Belanghebbendes stelling dat de aankondiging op het bord niet kan worden aangemerkt als reclame in de zin van de wet en de Verordening nu het louter om een naamsaanduiding gaat die geen reclamedoeleinden dient, is naar het oordeel van het Hof onjuist. Het wettelijke begrip ‘openbare aankondiging’ omvat niet slechts reclame in door belanghebbende kennelijk bedoelde engere zin, doch ziet meer in het algemeen op elke tot het publiek gerichte mededeling van commerciële dan wel ideële aard waarmee de aandacht wordt getrokken voor een dienst, een product of een boodschap. Tot dergelijke in de wet en de Verordening bedoelde ‘openbare aankondigingen’ is, gelet op de tekst van het bord, ook het in geschil zijnde bord te rekenen. Het bord kan mitsdien worden beschouwd als een ‘openbare aankondiging’ in de zin van artikel 227 van Pro de Gemeentewet respectievelijk artikel 2 van Pro de Verordening. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aanslag reclamebelasting terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Het gelijk is derhalve aan verweerder.
Proceskosten
Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De uitspraak is gedaan op 22 juni 2005 door mr. E.A.G. van der Ouderaa, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Anema als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.
Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht.
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.