ECLI:NL:GHAMS:2005:AU1206

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
geen
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • mr. Van Woensel
  • mr. Van Asperen
  • mr. Houben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 66 Wetboek van StrafvorderingArt. 75 Wetboek van StrafvorderingArt. 282 Wetboek van StrafvorderingArt. 406 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing hoger beroep tegen afwijzing verzoek opheffing voorlopige hechtenis

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam het hoger beroep behandeld tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 17 juni 2005, waarin het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte werd afgewezen.

De raadsman van verdachte stelde dat na verwijzing van de zaak door het hof naar de rechtbank geen wettelijke grondslag meer bestond voor de voortduring van de voorlopige hechtenis, en dat de behandeling bij de rechtbank had moeten aanvangen met een dagvaarding in plaats van een oproeping. Het hof oordeelde echter dat de voorlopige hechtenis rechtsgeldig voortduurde op basis van het bevel tot verlenging van de gevangenhouding door het hof en dat het onderzoek ter terechtzitting binnen de wettelijk voorgeschreven termijn was aangevangen.

Het hof overwoog verder dat het gesloten systeem van rechtsmiddelen geen hoger beroep toestaat tegen de wijze van oproeping en dat de behandeling bij de rechtbank wel degelijk was aangevangen. Daarom wees het hof het hoger beroep af en handhaafde de voorlopige hechtenis. De beschikking werd gegeven in raadkamer op 13 juli 2005.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en handhaaft de voorlopige hechtenis van verdachte.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM, ZEVENDE ENKELVOUDIGE STRAFKAMER
Beschikking in raadkamer op het hoger beroep in de zaak van
[appellant],
tegen de beslissing van de rechtbank te Amsterdam van 17 juni 2005, houdende afwijzing van het verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte.
De feiten en de rechtsgang
Het hof heeft kennis genomen van de akte van de griffier van de rechtbank te Amsterdam van 17 juni 2005, waarbij namens verdachte hoger beroep is ingesteld tegen voormelde beslissing van die rechtbank.
Het hof heeft gezien de beslissing waarvan beroep en heeft kennis genomen van de stukken betrekking hebbend op de voorlopige hechtenis van verdachte en heeft gehoord de advocaat-generaal en de raadsman mr. Doesburg.
De raadsman heeft aangevoerd dat na verwijzing van de zaak door het hof naar de rechtbank geen wettelijke grondslag meer bestond voor voortduring van de voorlopige hechtenis, nu de wet daarin niet voorziet. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de behandeling bij de rechtbank na verwijzing een aanvang had dienen te nemen door een dagvaarding, terwijl in casu in plaats daarvan een oproeping is uitgegaan, zodat de berechting bij de rechtbank strikt genomen niet is aangevangen, ook al heeft op 17 juni 2005 een terechtzitting plaats gehad.
De beoordeling
Het hof heeft bij arrest van 27 mei 2005 het vonnis van de rechtbank te Amsterdam in de onderhavige zaak vernietigd en de zaak verwezen naar die rechtbank ten einde opnieuw te worden berecht en afgedaan. Verdachte bevond zich ten tijde van voormeld arrest op een rechtsgeldige titel in voorlopige hechtenis, te weten op basis van een door het hof gegeven bevel tot verlenging van de gevangenhouding.
Artikel 75 van Pro het Wetboek van Strafvordering ziet op bevelen tot voorlopige hechtenis door het hof indien tegen de einduitspraak in eerste aanleg hoger beroep is ingesteld. Ingevolge het eerste lid van die bepaling is op dergelijke bevelen artikel 66, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing. Dit brengt mee dat indien het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep is aangevangen een bevel tot verlenging van de gevangenhouding van kracht blijft zolang geen einduitspraak is gewezen. De tussentijdse controle op de (voortduring van de) voorlopige hechtenis vindt dan plaats ter terechtzitting op de voet van artikel 282 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Door 's hofs verwijzing van de zaak naar de rechtbank, hetgeen geen einduitspraak is, is de controle op de (voortduring van de) voorlopige hechtenis in handen gelegd van de rechtbank. Overeenkomstig artikel 282, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering diende vervolgens het onderzoek ter terechtzitting binnen een maand na het verwijzingsarrest aan te vangen. Nu het onderzoek ter terechtzitting van de rechtbank op 17 juni 2005 plaats vond, derhalve binnen een maand na het arrest van het hof, kan niet gezegd worden dat aan de titel van de voorlopige hechtenis na het arrest van het hof de rechtsgeldigheid is komen te ontvallen.
Met betrekking tot de klacht over de oproeping -in plaats van dagvaarding- van verdachte voor de terechtzitting van de rechtbank van 17 juni 2005 overweegt het hof dat, gelet op artikel 406 van Pro het Wetboek van Strafvordering en het gesloten systeem van rechtsmiddelen, terzake geen hoger beroep open staat bij de raadkamer van het hof. De stelling dat strikt genomen geen aanvang is gemaakt met de behandeling ter terechtzitting kan, zoals reeds volgt uit het hiervoor overwogene met betrekking tot de voorlopige hechtenis, niet als juist worden aanvaard.
De beslissing
Het hof:
WIJST AF het beroep tegen de bestreden beslissing.
Deze beschikking is gegeven in raadkamer op 13 juli 2005 in raadkamer van dit hof door,
mr. Van Woensel, voorzitter,
mrs. Van Asperen en Houben, raadsheren,
in tegenwoordigheid van Bekker als griffier.
De griffier is buiten staat de beschikking te ondertekenen.
De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van verdachte.
Amsterdam,
De advocaat-generaal.