ECLI:NL:GHAMS:2005:AW5505
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.F. Faase
- E.A.G. van der Ouderaa
- G.T.K. Meussen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navordering en boete liquidatie-uitkering onderlinge waarborgmaatschappij
Belanghebbende ontving in 1998 een liquidatie-uitkering van een onderlinge waarborgmaatschappij die was ontbonden en waarvan de rechten waren overgedragen aan een verzekeringsmaatschappij. De inspecteur legde een navorderingsaanslag en een vergrijpboete op omdat belanghebbende de uitkering niet had aangegeven in zijn aangifte inkomstenbelasting 1998.
Het Hof stelt vast dat belanghebbende op de hoogte moet zijn geweest van de belastbaarheid van de uitkering, mede gelet op brieven van de onderlinge en het feit dat hij bewust de kans aanvaardde dat de uitkering niet zou worden aangegeven. Hierdoor was sprake van kwade trouw, waardoor de navordering terecht is.
Juridisch oordeelt het Hof dat de uitkering niet kan worden gekwalificeerd als een terugbetaling van premies, maar als inkomsten uit vermogen uit het lidmaatschapsrecht van de onderlinge. Het bijzondere tarief is niet van toepassing.
Ten aanzien van de boete oordeelt het Hof dat het standpunt van belanghebbende pleitbaar was en dat het opleggen van een boete in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, waardoor de boetebeschikking wordt vernietigd. Het Hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en heropent het onderzoek voor een nadere schadevergoeding.
Uitkomst: De navorderingsaanslag wordt gehandhaafd, de boetebeschikking vernietigd en de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.