ECLI:NL:GHAMS:2006:AV0584
Gerechtshof Amsterdam
- Verwijzing na Hoge Raad
- D.B. Bijl
- M.E. van Hilten
- D.J. de Korte
- Rechtspraak.nl
Waardeverandering bouwgrond bij landbouwbedrijf en toepassing landbouwvrijstelling
Belanghebbende had in 1982 een deel van zijn landbouwgrond, de zogenaamde bouwkop, gekocht tegen een hogere prijs dan de cultuurgrond, met de bedoeling daarop een woning te bouwen. De bouwkop was van meet af aan als bouwgrond bestemd en de bouwvergunning was verzekerd.
De inspecteur had een bedrag van f 40.125 bij het belastbaar inkomen geteld, stellende dat de waardeverandering van de bouwkop verband hield met de toekomstige niet-landbouwkundige aanwending. Na eerdere procedures en cassatie werd de zaak doorverwezen naar het Gerechtshof Amsterdam.
Het Hof oordeelde dat de waardestijging van de bouwkop geen verband hield met de omstandigheid dat de bouwkop door de bouw van een woning buiten het landbouwbedrijf wordt aangewend, omdat de bouwgrond al bij aankoop als zodanig was bestemd. Hierdoor viel deze waardestijging niet onder de landbouwvrijstelling van artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Het beroep van belanghebbende werd gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen van f 54.964 en de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van € 1.449. De overige geschilpunten werden niet meer behandeld.
Uitkomst: De aanslag wordt verminderd tot een belastbaar inkomen van f 54.964 omdat de waardestijging van de bouwgrond niet onder de landbouwvrijstelling valt.