ECLI:NL:GHAMS:2006:AV7953

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
23-004094-05
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DouanewetArt. 56 Wetboek van StrafvorderingArt. 27 Wetboek van StrafvorderingArt. 132 Wetboek van StrafvorderingArt. 11 Grondwet
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onrechtmatige lijfsvisitatie door douane zonder verdachtepositie

Verdachte werd op 20 juni 2004 bij aankomst op Schiphol door de douane onderworpen aan een lijfsvisitatie waarbij zij zich moest ontkleden en waarbij een bol cocaïne in haar vagina werd ontdekt. De douane baseerde zich op artikel 17 van Pro de Douanewet voor deze controle. Echter, verdachte was op dat moment nog geen verdachte in de zin van artikel 27 Wetboek Pro van Strafvordering en er waren geen bijzondere redenen voor deze ingrijpende controle.

Het hof oordeelde dat de strikte voorwaarden die gelden voor lijfsvisitatie van verdachten op grond van artikel 56 Wetboek Pro van Strafvordering niet automatisch van toepassing zijn op douanecontroles. Toch mag de bescherming van de lichamelijke integriteit van personen die aan douanecontrole worden onderworpen niet minder zijn dan die van verdachten. Omdat de Douanewet geen expliciete ruime bevoegdheid aan de douane verleent die de grondwettelijke onaantastbaarheid van het lichaam mag doorbreken, was de lijfsvisitatie onrechtmatig.

Het bewijs dat uit deze onrechtmatige lijfsvisitatie voortkwam, kon niet als wettig bewijs worden beschouwd. De bekentenis van verdachte was een vrucht van dit onrechtmatige bewijs. Daarom ontbrak wettig bewijs om haar te veroordelen en sprak het hof haar vrij.

Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht door verdachte vrij te spreken.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onrechtmatige lijfsvisitatie door de douane zonder dat zij verdachte was.

Uitspraak

arrestnummer:
parketnummer: 23-004094-05
datum uitspraak: 23 maart 2006
VERSTEK
ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Haarlem van 19 juli 2005 in de strafzaak onder parketnummer 15-001988-04 van het openbaar ministerie
tegen
[verdachte]
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 19 juli 2005 en op de terechtzitting in hoger beroep van 9 maart 2006.
Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.
Vrijspraak
Uit de stukken in het dossier is het volgende gebleken.
Verdachte is, toen zij op 20 juni 2004 vanuit Curaçao op Schiphol was aangekomen, door de douane aldaar onderworpen aan lijfsvisitatie, waarbij zij zich moest ontkleden en waarna bij schouwing van de natuurlijke holten van het onderlichaam aan het licht is gekomen dat zij een bol cocaïne in haar vagina had verborgen.
De douane handelde in het kader van zijn controlebevoegdheid en acht zich tot een dergelijke schouwing bevoegd op grond van de hem in artikel 17 van Pro de Douanewet gegeven bevoegdheid tot lijfsvisitatie. Bijzondere redenen om bij deze persoon tot een dergelijk onderzoek over te gaan worden in het betreffende proces-verbaal niet vermeld.
Vast staat dat verdachte toen zij aan dit onderzoek werd onderworpen nog geen verdachte was in de zin van artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv), laat staan dat er ernstige bezwaren tegen haar waren gerezen. Van een voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 132 Sv Pro was dan ook geen sprake.
De vraag die zich derhalve voordoet is of het onderzoek waaraan betrokkene is onderworpen, valt onder de in artikel 17 van Pro de Douanewet aan de inspecteur gegeven bevoegdheid tot lijfsvisitatie.
Tot de op 1 maart 2002 in werking getreden wet van 1 november 2001 (Stbl. 532) werd onder lijfsvisitatie verstaan het in artikel 56 Sv Pro genoemde onderzoek aan het lichaam, waaronder sinds het arrest van de Hoge Raad van 8 november 1988 (NJ 1989, 667) mede werd begrepen een onderzoek van de natuurlijke openingen en holten van het lichaam.
Bij voormelde wet is evenwel artikel 56 Sv Pro gewijzigd in die zin dat naast de bestaande regeling voor een onderzoek aan het lichaam thans onder strikte voorwaarden een regeling wordt gegeven voor onderzoek in het lichaam, waarbij tevens een opsomming wordt gegeven van hetgeen onder een dergelijk onderzoek moet worden verstaan. Zo valt blijkens deze opsomming onder een onderzoek in het lichaam niet alleen het inwendig manueel onderzoek van openingen en holten van het lichaam, maar ook het uitwendig schouwen van de holten en openingen van het onderlichaam.
Het voorgaande betekent dat een onderzoek zoals in het onderhavige geval heeft plaatsgevonden, indien de betrokkene een verdachte was geweest tegen wie ernstige bezwaren waren gerezen, aan strikte voorwaarden zoals die thans in artikel 56 Sv Pro zijn neergelegd had moeten voldoen.
Vergelijkbare strikte voorwaarden voor het zo goed mogelijk waarborgen van de privacy bij lijfsvisitatie van aan de douanecontrole onderworpen personen zijn niet terug te vinden in de Douanewet.
Het hof is van oordeel dat niet aanvaard kan worden dat aan douanecontrole onderworpen personen, die geen verdachten zijn in de zin van artikel 27 Sv Pro, met betrekking tot de bescherming van de integriteit van hun lichaam in een slechtere positie verkeren dan personen die wél worden verdacht van het plegen van een strafbaar feit.
Mocht de wetgever beoogd hebben aan de douane in het kader van diens controlerende taken een bevoegdheid toe te kennen die gelijk is aan, of zelfs ruimer is dan die waarover het opsporingsapparaat beschikt ten aanzien van verdachten tegen wie ernstige bezwaren zijn gerezen, dan zou een dergelijke bevoegdheid, die immers een uitzondering maakt op het in artikel 11 van Pro de Grondwet neergelegde grondrecht van onaantastbaarheid van het lichaam, expliciet in de wet moeten zijn vermeld.
Nu zulks niet is geschied moet het er vooralsnog voor worden gehouden dat een dergelijke ruime bevoegdheid aan de douane niet toekomt.
Het voorgaande voert tot de slotsom dat onder de in artikel 17 van Pro de Douanewet genoemde lijfsvisitatie niet kan worden begrepen de schouwing zoals die in de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden. Het door deze schouwing aan het licht gekomen bewijs dat door betrokkene een strafbaar feit werd gepleegd is derhalve onrechtmatig verkregen.
Nu de bekentenis van verdachte niet anders beschouwd kan worden dan een vrucht van dit onrechtmatige bewijs, ontbreekt het wettig bewijs zodat verdachte dient te worden vrijgesproken.
Beslissing
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de 6e meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.G.W. Willems-Morsink, mr. E.J. Schreuder en mr. N.A. Schimmel, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Huizenga, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 maart 2006.
Mr. Willems-Morsink is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.