ECLI:NL:GHAMS:2006:AX8851
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- F.H.M. Possen
- J.J.A.M. Kennis
- M.E. van Hilten
- Rechtspraak.nl
Beoordeling kostenheffing bij omzetbelasting invoer en toepasselijkheid douanewetgeving
Belanghebbende voerde goederen in en deed aangifte voor het vrije verkeer zonder toepassing van artikel 23 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB), omdat de beschikking voor de verleggingsregeling nog niet was verleend. De inspecteur bracht kosten in rekening op grond van de Douanewet en het Douanebesluit.
De rechtbank oordeelde dat de kosten onterecht waren geheven omdat artikel 23 Wet Pro OB geen recht bij invoer bevat en de douanewetgeving niet van toepassing is. De inspecteur stelde hoger beroep in bij het Gerechtshof Amsterdam.
Het Hof bevestigde dat artikel 23 Wet Pro OB een dwingendrechtelijke verleggingsregeling is die alleen geldt indien aan voorwaarden wordt voldaan. Omdat de beschikking nog niet was verleend, was artikel 22 Wet Pro OB van toepassing, waardoor de bepalingen van de Douanewet mede gelden. Desondanks oordeelde het Hof dat de kosten onterecht zijn geheven omdat de procedure van het Communautair douanewetboek geen heffing van kosten voorziet en er geen sprake was van werkzaamheden ter opheffing van niet-naleving.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met verbeterde motivering. Er werd griffierecht geheven van € 414 en geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De aan belanghebbende in rekening gebrachte kosten zijn onterecht en het hoger beroep van de inspecteur wordt ongegrond verklaard.