ECLI:NL:GHAMS:2006:AY6985
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.M. Vrouwenvelder
- D.B. Bijl
- M.E. van Hilten
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over BTW-ondernemerschap van directeur-grootaandeelhouder
Belanghebbende was directeur-grootaandeelhouder van een BV die een schoonmaakbedrijf exploiteerde. Na overname van zijn eenmanszaak door de BV verrichtte hij alle werkzaamheden als enig bestuurder en personeelslid, met een vaste maandelijkse vergoeding. De inspecteur stelde dat belanghebbende en de BV een fiscale eenheid vormden voor de omzetbelasting, wat belanghebbende betwistte.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of belanghebbende als ondernemer in de zin van artikel 7 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 kon worden aangemerkt, mede gelet op de Zesde richtlijn. Het Hof overwoog dat hoewel belanghebbende formeel werknemer was, hij geen ondergeschikte verhouding had ten opzichte van de BV en dus zelfstandig handelde. Echter, het Hof twijfelde of de werkzaamheden van belanghebbende als bestuurder en enige werknemer wel als zelfstandige economische activiteiten konden worden beschouwd, omdat deze nauw samenhangen met het beheer en de vertegenwoordiging van de BV.
Daarom schorste het Hof het geding en stelde het een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de uitleg van artikel 4 van Pro de Zesde richtlijn, met name of de werkzaamheden van een directeur-grootaandeelhouder die alle activiteiten van zijn BV uitvoert, als economische activiteiten kunnen worden aangemerkt.
Uitkomst: Het geding is geschorst en de beslissing aangehouden totdat het Hof van Justitie uitspraak doet over de prejudiciële vraag.