ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ0510
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.A.G. van der Ouderaa
- J. den Boer
- E.F. Faase
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over aftrekbaarheid van nagekomen kosten door houdstermaatschappij
Belanghebbende, een houdstermaatschappij, bracht in haar aangifte vennootschapsbelasting 2001 een bedrag van €19.285 aan 'nagekomen kosten Z' ten laste van haar winst. Deze kosten hadden betrekking op een pand dat door een gelieerde vennootschap, Z B.V., was verkocht. De inspecteur betwistte de aftrekbaarheid van deze kosten, stellende dat zij niet door de onderneming van belanghebbende waren gemaakt.
Het Hof stelde vast dat de kosten verband hielden met de verkoop van het pand door Z B.V. en niet met de onderneming van belanghebbende zelf. Belanghebbende kon geen tegenbewijs leveren dat deze kosten aan haar onderneming toerekenbaar waren. Ook de stelling dat de kosten de verkoopprijs van haar deelneming in D BV hadden verhoogd, werd verworpen.
Verder werd een door belanghebbende genoemd bedrag aan huurnota’s van circa ƒ153.845,59 niet als bewijs aanvaard omdat deze nota’s gericht waren aan andere vennootschappen en er aanwijzingen waren voor zogenaamde 'fakehuurders' die de verkoopprijs van het pand kunstmatig zouden hebben beïnvloed.
Het Hof concludeerde dat de kosten niet ten laste van de winst van belanghebbende konden komen en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd geen proceskostenveroordeling aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag vennootschapsbelasting 2001 wordt gehandhaafd.