ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ2701
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- J. den Boer
- E.A.G. van der Ouderaa
- E. van Waaijen
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing op uitgestelde vergoeding aan profvoetballer bij indiensttreding
Belanghebbende, een voetbalclub, had aan profvoetballer A bij diens indiensttreding in 1998 een uitgestelde netto vergoeding toegekend die pas in 2004 zou worden uitgekeerd, ongeacht tussentijds vertrek. De vraag was of deze vergoeding in 1998 aan loonheffing onderworpen moest worden.
Het hof overwoog dat het recht op de vergoeding een aanspraak op loon vormt zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, ook al was de vergoeding in 1998 niet betaald, verrekend, rentedragend of vorderbaar. De vergoeding was niet afhankelijk van het verrichten van toekomstige arbeid en kon niet worden gelijkgesteld met een bindingspremie.
De waarde van deze aanspraak moest worden vastgesteld op de contante waarde op het moment van toekenning in 1998. De inspecteur had deze waarde berekend en het hof vond dit juist. Het beroep van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag werd gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot het juiste bedrag aan loonheffing. Tevens werden proceskosten toegekend aan belanghebbende.
Uitkomst: De naheffingsaanslag loonbelasting wordt verminderd en de uitgestelde vergoeding wordt belast tegen de contante waarde in 1998.