ECLI:NL:GHAMS:2007:BA4006
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- G.J. Visser
- A.C. Faber
- P.C. Römer
- Rechtspraak.nl
Rechtsbescherming werknemer bij overgang van onderneming ondanks niet-werkzaamheid
De zaak betreft een geschil over de vraag of een werknemer aanspraak kan maken op loonbetalingen van een nieuwe eigenaar van een onderneming na de overgang van die onderneming. De werknemer was sinds februari 1999 wegens ziekte en zwangerschapsverlof niet werkzaam en ontving later een WW-uitkering. De arbeidsovereenkomst was volgens de werkgever vóór de overgang geëindigd, maar de werknemer stelde dat dit niet het geval was.
De kantonrechter wees de vordering af omdat de werknemer op het moment van overgang niet feitelijk werkzaam was. Het hof oordeelt echter dat de eis dat de werknemer feitelijk werkzaam moet zijn op het moment van overgang de bescherming van artikel 7:663 BW Pro en de Europese richtlijn te zeer beperkt. Het enkele bestaan van een arbeidsovereenkomst is voldoende voor bescherming.
Het hof concludeert dat de arbeidsovereenkomst op het moment van overgang nog bestond en dat de vordering op de nieuwe eigenaar is overgegaan. Het hof wijst het standpunt van de werkgever af dat de werknemer geen bescherming geniet omdat zij niet werkte en een WW-uitkering ontving. De zaak wordt verwezen voor nadere specificatie van het gevorderde bedrag.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst was bij overgang van de onderneming niet geëindigd en de werknemer geniet bescherming onder artikel 7:663 BW, waardoor haar vordering op Hollandia is overgegaan.