ECLI:NL:GHAMS:2007:BA4852
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep kort geding
- Van den Brink
- Rijken
- Groen
- Rechtspraak.nl
Verjaring en niet-ontvankelijkheid in hoger beroep inzake lidmaatschap congregatie en wegzending
In deze zaak vordert appellant dat geïntimeerden meewerken aan de herziening van het besluit tot haar wegzending uit de Congregatie en dat zij wordt gerehabiliteerd als lid van de Congregatie tot het moment van een bodemprocedure. Het hof behandelt het hoger beroep tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 19 oktober 2006.
Het hof stelt vast dat de vorderingen tegen de Congregatie niet-ontvankelijk zijn omdat deze partij geen partij was in eerste aanleg. Ook verklaart het hof appellant niet-ontvankelijk voor zover de vorderingen zijn ingesteld tegen de Overste en het Aartsbisdom, omdat deze partijen niet bevoegd zijn om aan de gevorderde prestaties te voldoen.
Ten aanzien van de Aartsbisschop oordeelt het hof dat de vorderingen verjaard zijn. De periode tussen het besluit van 16 januari 1970 en de eerste ondubbelzinnige aanspraak in 2006 bedraagt ruim 36 jaar, waarmee elke toepasselijke verjaringstermijn is verstreken. De stelling dat de verjaring is gestuit faalt wegens gebrek aan onderbouwing. Ook het argument van appellant dat zij een eeuwige gelofte heeft afgelegd, leidt niet tot een ander oordeel over de verjaring.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter, verklaart appellant niet-ontvankelijk voor de genoemde partijen en veroordeelt haar in de kosten van het principaal beroep.
Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep en de vorderingen tegen de Aartsbisschop zijn verjaard.