ECLI:NL:GHAMS:2007:BA6153

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
P06/00291
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:16 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 6:17 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over aftrek cannabisuitgaven zonder apotheekrecept

Belanghebbende, die cannabis voorgeschreven kreeg door een arts, kocht deze cannabis via coffeeshops met behulp van mediwietpasjes. Hoewel de arts het gebruik van cannabis als medicijn bevestigde, werd de cannabis niet via een apotheek verstrekt, maar via een zelfgekozen verkoopkanaal. Hierdoor was aftrek van de uitgaven voor cannabis niet toegestaan.

Belanghebbende stelde dat de apotheekcannabis te duur en van slechte kwaliteit was en dat hij daarom cannabis bij coffeeshops kocht. Hij kon echter geen betalingsbewijzen overleggen. Het hof oordeelde dat de cannabis die bij coffeeshops werd gekocht niet zonder meer als farmaceutisch hulpmiddel kon worden aangemerkt en dat de aftrek daarom niet mogelijk was.

Verder wees het hof het beroep op vertrouwen af, omdat belanghebbende onvoldoende feiten had aangevoerd om het vertrouwen in eerdere aftrek te onderbouwen en de inspecteur de feiten betwistte. Het hof verklaarde het hoger beroep van de inspecteur gegrond en het incidentele beroep van belanghebbende ongegrond, en handhaafde de aanslag zoals verminderd.

Uitkomst: De aftrek van cannabisuitgaven wordt afgewezen omdat de cannabis niet via een apotheekrecept is verstrekt.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
Kenmerk 06/00291
tweede meervoudige belastingkamer
proces-verbaal
van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst P, de inspecteur,
tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 05/929 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) van 14 juni 2006 in het geding tussen
X te Y, belanghebbende
en
de inspecteur.
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 5 maart 2007.
Belanghebbende is niet ter zitting verschenen.
Beslissing
Het Hof
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank en die van de inspecteur;
- handhaaft de aanslag van de inspecteur zoals die luidt na de vermindering van 18 januari 2006 op basis van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.984 en
- gelast dat de Staat het betaalde griffierecht ad € 37 aan belanghebbende vergoedt.
Gronden
1. Belanghebbende heeft in 1990 chemotherapie ondergaan in verband met non-Hodgkin lymfomen. Deze behandeling is nadien herhaald in verband met recidive van de klachten.
2. Op 11 juli 2001 heeft A, als arts verbonden aan het BB Medisch Centrum, verklaard dat belanghebbende "met goede response en controle" "Cannabis Sativa als medicijn tegen hoofdpijn, stress, stotteren, als anti-emeticum en eetlustopwekker gebruikt".
Op 6 oktober 2003 heeft deze arts cannabis sativa voorgeschreven aan belanghebbende.
De Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft op 1 augustus 2005 met verwijzing naar het voorschrift van A een zogenaamde Schengenpas afgegeven waaruit blijkt dat hem cannabis medicinalis was voorgeschreven.
Belanghebbende beschikte over "mediwietpasjes", afgegeven door een tweetal coffeeshops. Op vertoon van zo'n pasje kreeg hij korting op de normale verkoopprijs van cannabis.
Belanghebbende "blowde" de cannabis niet; hij maakte gebruik van een verdamper.
3. In zijn beroepschrift heeft belanghebbende gesteld dat de door de apotheken verstrekte cannabis te duur en van slechte kwaliteit was en dat die cannabis vervelende bijwerkingen gaf. Daarom kocht hij cannabis bij de coffeeshops CC en DD in Y.
In zijn verweerschrift in hoger beroep heeft belanghebbende de uitgaven voor wiet in 2003 berekend op € 4.015. Belanghebbende heeft geen betalingsbewijzen van de aankoop van cannabis overgelegd.
4. Kopers van cannabis in coffeeshops plegen dit product in de regel aan te schaffen voor gebruik anders dan als geneesmiddel. Belanghebbende heeft niet gesteld dat de door hem aangeschafte cannabis een kwaliteit heeft die als zodanig afwijkt van de ook door anderen aangeschafte cannabis. De door belanghebbende aangeschafte cannabis is dan ook niet zonder meer aan te merken als een farmaceutisch hulpmiddel in de zin van artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001.
5. Gelet op de ziektegeschiedenis van belanghebbende en de overgelegde medische verklaringen is er naar het oordeel van het Hof voldoende aanleiding aan te nemen dat aan belanghebbende cannabis is voorgeschreven als geneesmiddel (wat er zij van een mogelijk verschil tussen cannabis sativa en medicinalis). Nu aan belanghebbende de voorgeschreven middelen echter niet zijn verstrekt op recept van een arts, maar hij deze via een zelf gekozen verkoopkanaal en met gebruikmaking van door coffeeshops afgegeven pasjes heeft verkregen is er geen sprake van een “op voorschrift van een arts verstrekt” geneesmiddel.
Nu belanghebbende de cannabis niet bij een apotheek heeft verkregen en hij evenmin over betalingsbewijzen beschikt, is de door hem geclaimde aftrek op basis van het Besluit van 10 februari 2004, nummer CPP2003/2833M, evenmin mogelijk.
6. In het midden kan blijven de vraag of belanghebbende tot het door hem berekende bedrag van € 4.015 daadwerkelijk uitgaven voor cannabis heeft gedaan.
7. Belanghebbende heeft zich beroepen op vertrouwen gewekt door eerder verleende aftrek van de uitgaven voor cannabis en daarbij onder meer verwezen naar een expliciete toetsing van de uitgaven door de toenmalige inspecteur in 1995. Nu belanghebbende overigens geen feiten heeft aangevoerd waaruit de aard van die toetsing en de overige omstandigheden zouden kunnen blijken, acht het Hof onvoldoende reden aanwezig de gevraagde aftrek te honoreren op basis van opgewekt vertrouwen, te minder nu de inspecteur de juistheid van de feiten op grond waarvan dat vertrouwen zou zijn gewekt heeft betwist.
8. Gelet op het voorgaande acht het Hof het hoger beroep van de inspecteur gegrond en het incidenteel beroep van belanghebbende ongegrond.
9. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De mondelinge uitspraak is gedaan door mrs. D.B. Bijl, voorzitter, J.P.A. Boersma en M.J. Hamer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H.A. Brands als griffier.
De beslissing is op 19 maart 2007 in het openbaar uitgesproken. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt, ondertekend door de voorzitter en de griffier.
Het Hof geeft, ondanks het andersluidende verzoek van belanghebbende, machtiging tot publicatie van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.