ECLI:NL:GHAMS:2007:BB4933

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
362/06
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RvArt. 143 RvArt. 243 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen verstekvonnis over schadevergoeding huurovereenkomst en terugwijzing naar kantonrechter

De zaak betreft een hoger beroep van een voormalige huurder tegen een verstekvonnis waarin hij werd veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan de verhuurder, woningstichting Vitalis. De huurovereenkomst was eerder ontbonden en de woning ontruimd. Het verstekvonnis werd niet persoonlijk betekend aan de huurder, maar aan zijn moeder en advocaat.

Het geschil draait om de vraag of de huurder een naar buiten gerichte daad van bekendheid met het vonnis heeft verricht, waardoor de termijn voor het instellen van verzet zou zijn gaan lopen. Het hof oordeelt dat geen dergelijke daad is gesteld of gebleken, zodat de huurder tijdig in verzet is gekomen.

De kantonrechter had het verzet moeten ontvangen en de bezwaren van de huurder tegen de vordering van Vitalis inhoudelijk moeten beoordelen. Omdat dit niet is gebeurd, vernietigt het hof het eindvonnis en wijst de zaak terug naar de kantonrechter om een inhoudelijke beoordeling in twee instanties mogelijk te maken.

Het hof wijst Vitalis aan als de in het ongelijk gestelde partij en veroordeelt haar tot betaling van de proceskosten van het hoger beroep. Tevens wordt tussentijds cassatieberoep opengezet.

Uitkomst: Het hof vernietigt het verstekvonnis en wijst de zaak terug naar de kantonrechter voor inhoudelijke behandeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
[appellant],
wonend te [...],
APPELLANT,
procureur: mr. E.L. Polak,
t e g e n
de stichting WONINGSTICHTING VITALIS,
gevestigd te Amersfoort,
GEÏNTIMEERDE,
procureur: mr. M.E. van Zutphen.
1. Het geding in hoger beroep
De partijen worden hierna [appellant] en Vitalis genoemd.
1.1 Bij dagvaarding van 8 februari 2006 is [appellant] in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank te Alkmaar, sector kanton, locatie Alkmaar (hierna: de kantonrechter) van 27 april 2005 (het tussenvonnis) en 9 november 2005 (het eindvonnis) in deze zaak onder nummer 173101-04-4674 WG gewezen tussen [appellant] als opposant en Vitalis als geopposeerde.
1.2 [Appellant] heeft bij memorie zeven grieven geformuleerd en toegelicht met conclusie, kort gezegd, dat het hof de vonnissen waarvan beroep zal vernietigen en, alsnog, de oorspronkelijke vordering van Vitalis zal afwijzen, met kosten.
1.3 Daarop heeft Vitalis geantwoord en bescheiden in het geding gebracht en bewijs aangeboden, met conclusie, kort gezegd, dat het hof de vonnissen zal bekrachtigen, met kosten.
1.4 [Appellant] heeft zich bij akte uitgelaten over de door Vitalis in het geding gebrachte bescheiden.
1.5 Ten slotte is arrest gevraagd.
2. Beoordeling
2.1 Vitalis heeft aan [appellant] verhuurd de woning gelegen aan [adres] te Heerhugowaard. Bij vonnis van 5 april 2000 heeft de kantonrechter de huurovereenkomst ontbonden en [appellant] veroordeeld tot ontruiming van de woning. De ontruiming is op 31 mei 2000 in opdracht van Vitalis geschied.
2.2 Bij vonnis van 13 december 2000 (het verstekvonnis) heeft de kantonrechter [appellant] veroordeeld tot betaling aan Vitalis van ƒ 16.722,37 wegens onder meer kosten van herstel van de woning.
Bij brief van 31 augustus 2004 gericht aan [appellant] aan het adres [...] te Heerhugowaard (het woonadres van de ouders van [appellant]) heeft de incassogemachtigde van Vitalis (hierna: Van der Meer & Philipsen) meegedeeld dat [appellant] bij het verstekvonnis is veroordeeld tot vergoeding van de schade aan de woning en hem verzocht € 8.394,03 over te maken.
Op 3 september 2004 heeft de moeder van [appellant] Van der Meer & Philipsen gebeld met een verzoek om uitstel.
Mr. M.C.A. Stoop, de advocaat van [appellant], heeft bij brief van 13 september 2004 Van der Meer & Philipsen verzocht om toezending van het verstekvonnis. Deze heeft dat bij brief van 16 september 2004 gedaan.
Op 28 september 2004 is het verstekvonnis betekend aan laatstgenoemd adres door toezending per post.
Bij dagvaarding van 18 oktober 2004 is [appellant] in verzet gekomen tegen het verstekvonnis.
2.3 De kantonrechter heeft in het eindvonnis overwogen dat [appellant] vóór het telefoongesprek dat diens moeder op 3 september 2004 met Van der Meer & Philipsen heeft gevoerd, kennis heeft genomen van de hoofdinhoud van het verstekvonnis, hetgeen als een daad van bekendheid dient te worden beschouwd, zodat [appellant] met de verzetdagvaarding van 18 oktober 2004 niet tijdig in verzet is gekomen en niet in zijn verzet kan worden ontvangen. De kantonrechter heeft het verzet ongegrond verklaard en het verstekvonnis bekrachtigd.
2.4 De grieven IV – VII lenen zich voor gezamenlijke bespreking, omdat zij alle strekken ten betoge dat [appellant] tijdig in verzet is gekomen.
2.5 Het verstekvonnis is niet aan [appellant] in persoon betekend, er is geen begin gemaakt met de tenuitvoerlegging daarvan, en [appellant] heeft er ook niet in berust. Waar het dan in dit geval om gaat is of, en zo ja wanneer, [appellant] een daad van bekendheid heeft gepleegd waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis aan hem bekend is. Dat is pas het geval indien [appellant] een naar buiten gerichte daad heeft verricht waaruit de bekendheid ondubbelzinnig voortvloeit.
Noch de omstandigheid dat [appellant] voordat het verstekvonnis was gewezen met Vitalis heeft overlegd over herstelwerkzaamheden aan de woning, noch de omstandigheid dat [appellant]’s moeder met Van der Meer & Philipsen over het verstekvonnis heeft gesproken, noch de omstandigheid dat de advocaat van [appellant] het verstekvonnis heeft opgevraagd en dat dit aan haar is toegezonden, kan worden aangemerkt als een door [appellant] gepleegde, naar buiten gerichte daad van bekendheid.
Ook overigens is geen daad van [appellant] gesteld of gebleken die kan worden aangemerkt als een daad van bekendheid. Derhalve is de in art. 81 lid 1 Rv Pro (oud) of art. 143 lid 2 Rv Pro bedoelde termijn niet gaan lopen –het hof kan in het midden laten of hier nieuw of oud recht van toepassing is- zodat [appellant] tijdig in verzet is gekomen. De vierde tot en met de zevende grief treffen dus doel, waardoor het eindvonnis niet in stand kan blijven.
2.6 Bij deze stand van zaken kunnen de overige grieven onbesproken blijven.
2.7 De kantonrechter had [appellant] in zijn verzet moeten ontvangen en diens bezwaren tegen de vordering van Vitalis moeten beoordelen. Nu de zaak niet ten gronde is behandeld en louter de procesgang aan de orde is geweest, zal het hof de zaak terugwijzen ten einde te voorkomen dat deze zaak inhoudelijk slechts in één feitelijke instantie zal worden beoordeeld. Het hof realiseert zich dat zich hier niet het geval voordoet dat de lagere rechter zich onbevoegd heeft verklaard -tot nu toe de enige algemeen aanvaarde grond voor terugwijzing na vernietiging van een eindvonnis- en zal daarom tussentijds cassatieberoep openstellen.
2.8 Vitalis heeft als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van het hoger beroep te dragen.
3. Beslissing
Het hof:
vernietigt het eindvonnis;
wijst de zaak ter verdere afdoening terug naar de kantonrechter;
verwijst Vitalis in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten voor zover tot heden aan de kant van [appellant] gevallen, op € 248,-- voor verschotten en € 632,-- voor salaris van de procureur, op de voet van art. 243 Rv Pro te voldoen aan de griffier van dit hof;
stelt tussentijds cassatieberoep van dit arrest open.
Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Huijzer, mr. C.E. van Oosten-van Smaalen en mr. J.K. Six-Hummel en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 september 2007.