Uitspraak
mr. P.D. Olden,
mr. M. Das.
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
grief 2 in het principaal appèlkomen ITP Holland c.s. op tegen een onderdeel van de vaststelling onder 1.e, inhoudende dat mr. Rijkels (hof: de door de Ondernemingskamer benoemde onderzoeker) in zijn verslag van 29 mei 1992 (gedeponeerd op 4 juni 1992) het toekennen van de vergoedingen aan De Oude Rijn BV en de aankoop van het Overcingelproject als wanbeleid aanmerkt.
nadatdoor [X] het Domusproject en door [Y] het bedrag van ƒ 500.000,- waren ingebracht, ITP Holland het Domusproject uitsluitend dankzij de inspanningen van [Y] en dankzij door hem of De Oude Rijn BV verstrekte zekerheden tot een winstgevend einde heeft gebracht. De juistheid van deze vaststelling is door [geïntimeerden] niet, althans onvoldoende, bestreden en treft de grief dus geen doel.
3.Beoordeling van het hoger beroep
grief 4 in het principaal appèlbehandelen. Daarin komen ITP Holland c.s. op tegen het oordeel van de rechtbank (rechtsoverweging 5.2) dat [geïntimeerde sub 1] ontvankelijk is in al zijn vorderingen. De rechtbank overwoog daartoe dat [geïntimeerde sub 1] , die van 23 juni 1994 tot 2 mei 1996 – op grond van de beschikkingen van de Ondernemingskamer – directeur van ITP Holland is geweest, een eigen financieel belang heeft bij de uitkomst van dit geding.
grief 3 in het principaal hoger beroephebben ITP Holland c.s., kort samengevat, onder meer verdedigd dat het gegeven dat de Ondernemingskamer in de door ITP Ltd. aangevangen jaarrekeningprocedure de vorderingen van ITP Ltd. heeft afgewezen, dient mee te brengen dat geen ruimte meer bestaat om in een procedure als de onderhavige te toetsen of het besluit tot vaststelling van de jaarrekening in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en aldus vernietigbaar is op de voet van artikel 2:15 jº 2:8 BW. De grief keert zich tegen het van een andere opvatting getuigende oordeel van de rechtbank.
grieven 5, 6 en 7 in het principaal appèlgericht.
- de economische eigendom van het Overcingelproject is door ITP Holland op 21 december 1990 gekocht voor een prijs van ƒ 3.900.000,-;
- de aankoop is geschied zonder toestemming van ITP Ltd.;
- met deze aankoop is ITP Ltd. (in ieder geval) tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van 17 januari 1992 bekend geworden (conclusie van repliek, 29);
- uit het verslag van de onderzoeker, mr. Rijkels, blijkt onder meer:
- in haar oordeel dat uit het verslag van wanbeleid is gebleken, verwijst de Ondernemingskamer naar de conclusies van de onderzoeker. Zoals vermeld komt de aanschaf van het Overcingelproject als zodanig in die conclusies niet voor;
- in haar beschikking van 2 mei 1996 overweegt de Ondernemingskamer onder meer:
- ten aanzien van de aankoop van het Overcingelproject door het bestuur van de vennootschap geldt geen statutaire beperking;
- de doelomschrijving van de vennootschap in de statuten houdt mede in de aankoop van onroerende goederen en de ontwikkeling van bouwprojecten;
- een harde concrete afspraak tussen de aandeelhouders dat de activiteiten van de vennootschap zouden worden beperkt tot het Domusproject, dan wel dat voor de aankoop van nieuwe projecten instemming van de beide aandeelhouders was vereist, ontbreekt. Hoogstens zou een intentie in die richting afgeleid kunnen worden uit een conceptovereenkomst die onderwerp van bespreking tussen partijen is geweest of uit de door [geïntimeerden] vóór de aanschaf van het Overcingelproject jegens [Y] geuite wens de vennootschap te ontvlechten;
- aan de aankoop van het Overcingelproject lagen mede fiscale overwegingen ten grondslag. [geïntimeerden] hebben onvoldoende (gemotiveerd) bestreden dat over de met betrekking tot het Domusproject gerealiseerde winst vennootschapsbelasting betaald moest worden en dat in deze omstandigheden [Y] , de toenmalige enig directeur, heeft mogen menen in het belang van beide aandeelhouders en de vennootschap te handelen door belastingheffing te voorkomen door herinvestering van die winst in het Overcingelproject (conclusie van de dupliek in conventie, 11);
- het gegeven dat op 21 mei 1993 in het hotel brand is ontstaan die tot grote schade (en tot verlies voor de vennootschap) heeft geleid, mag bij de beoordeling van de regelmatigheid van de aankoop van het Overcingelproject geen rol spelen;
- het gegeven dat het Overcingelproject is aangekocht van een aan [Y] gelieerde vennootschap voor een hoger bedrag dan door deze vennootschap was betaald is door de onderzoeker en de Ondernemingskamer eveneens onderzocht. Het gegeven heeft niet geleid tot het oordeel dat de aanschaf in strijd was met de belangen van de vennootschap (c.q. de aandeelhouders).
- in de akte van 16 december 1994, gesloten tussen ‘partij [X] ’ en ‘partij [Y] ’, is onder meer opgenomen dat partij [X] de certificaten van aandelen in ITP Holland zal verkopen aan De Oude Rijn BV, dat daarmee de vordering van ITP Holland op [geïntimeerden] is verrekend, dat alle lopende procedures tussen partijen zullen worden beëindigd en dat ‘in overleg tussen partijen (..) de concept-dadingsovereenkomst [zal] worden aangepast door mr. Sachse op basis van deze ondertekende wilsovereenstemming tussen partijen’;
- bij fax van 21 december 1994 heeft mr. Sachse aan partijen een vaststellingsovereenkomst toegezonden, waarin in totaal negen (rechts-)personen, waaronder ITP Holland, als partij staan opgesomd;
- [geïntimeerden] hebben geweigerd deze nadere door mr. Sachse opgestelde vaststellingsovereenkomst te ondertekenen, onder meer met een beroep op de stelling dat [geïntimeerde sub 1] niet over toereikende volmachten beschikte om een dading tot stand te brengen;
- bij brief van 23 december 1994 heeft [Y] “namens de betrokken vennootschappen” [geïntimeerden] in gebreke gesteld;
- bij conclusie van eis in reconventie, genomen ter rolzitting van 23 februari 2000, is door ITP Holland c.s. tegen [geïntimeerden] de vordering tot nakoming van de akte van 16 december 1994/betaling van schadevergoeding ingesteld;
- gesteld noch gebleken is dat door of jegens de wel in de akte van 23 december 1994 genoemde maar niet in deze procedure verschenen partijen enige actie is ondernomen.
grief II in het incidenteel appèlgericht.
grieven IV, V, VI en VII in het incidenteel appèlgezamenlijk behandelen. Zij alle hebben betrekking op de (voorbereiding van) de besluiten, genomen ter gelegenheid van de AvA van 30 oktober 1995, inhoudende dat de jaarrekeningen van ITP Holland over 1987 tot en met 1994 overeenkomstig het voorstel van de directie zijn vastgesteld, voor zover daarin tevens goedkeuring werd gehecht aan de beslissingen van de directie om de in de jaarrekeningen vermelde vergoedingen aan De Oude Rijn BV, terzake van onder meer de ontwikkeling van het Domusproject, toe te kennen.
- in de inleidende dagvaarding stellen [geïntimeerden] onder 1.3 dat het oogmerk van het Domusproject was om nog vóór de bouw te verhuren en te verkopen, waardoor er geen financiering nodig zou zijn. Een zelfde uitlating is te vinden in de conclusie van dupliek in conventie onder de nummers 8 en 10;
- dat de aanvankelijke bedoeling was om het project nog voor de bouw te verhuren en te verkopen blijkt ook uit de verklaring van [Z] van 4 oktober 2000, overgelegd bij conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek en reconventie. [Z] schrijft daarin onder meer:
- in de conclusie van repliek zetten [geïntimeerden] uiteen dat zij in de periode 1973-1985 meer dan ƒ 619.000,- aan kosten, alleen al om de bouwvergunning te krijgen en de juridische structuur voor het project op te zetten, hebben betaald. De geschatte waarde van de bouwvergunning naar projectontwikkelingsmaatstaven bedroeg, naar zeggen van [geïntimeerden] , één à anderhalf miljoen gulden. Zij stellen daar verder dat de afspraak was dat [Y] de realisering van het Domusproject op zich zou nemen waarbij de winst, na realisering, fifty-fifty zou worden gedeeld;
- uit de conclusie van antwoord, pagina 3 en uit de berekening van [Z] (productie 2e achter conclusie van antwoord, brief van 23 februari 1995, p. 17) blijkt dat het Domusproject bij verkoop in totaal ƒ 10.575.000,- heeft opgebracht, met een, na aftrek van bouwkosten, inclusief bouwrente, brutomarge van ƒ 2.943.000,-;
- zoals reeds onder 2.4 werd overwogen bestaat tussen partijen vast dat, nadat door [X] het Domusproject en door [Y] het bedrag van ƒ 500.000,- waren ingebracht, ITP Holland het Domusproject uitsluitend dankzij de inspanningen van [Y] en dankzij door hem of De Oude Rijn BV verstrekte zekerheden tot een winstgevend einde heeft gebracht.
- aanvankelijk is de vergoeding van [Y] /de Oude Rijn (naar ITP Holland c.s. stellen: na overleg met de accountant van een vennootschap) vastgesteld op ƒ 775.000,-;
- mr. Rijkels, de door de Ondernemingskamer benoemde onderzoeker, heeft deze betaling, die zonder overleg is gedaan, onaanvaardbaar geacht (zie hierboven 2.3.3.);
- de betaling is door [Z] , “om niet gewenste problemen te voorkomen” (brief van [Y] aan de voorzitter van de Ondernemingskamer van 24 november 1995, productie 2.e bij conclusie van antwoord), teruggedraaid;
- uit het verslag van [Y] van 1 november 1994 blijkt dat door hem nagegaan moet worden “of en zo ja in hoeverre het redelijk is, dat aan de heer [Y] dan wel aan de Oude Rijn B.V. alsnog een honorering zal worden toegekend voor de verrichte prestaties terzake van het Domusproject”;
- de toenmalige voorzitter van de Ondernemingskamer, mr. J.A. Vermeulen, schrijft bij brief van 3 november 1994 aan [Z] onder meer:
- in de bestuursvergadering van 22 juni 1995 is de vergoeding ten behoeve van [Y] /de Oude Rijn vastgesteld op ƒ 980.000,-;
- vervolgens zijn de jaarrekeningen vastgesteld (eerst in de vergadering van certificaathouders en vervolgens in de algemene vergadering van aandeelhouders van ITP Holland), in welke jaarrekeningen wordt uitgegaan van een vergoeding aan [Y] /de Oude Rijn BV van ƒ 980.000,-.