ECLI:NL:GHAMS:2008:BC6158
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- F.H.M. Possen
- A. Bijlsma
- M.J. Kuiper
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vrijstelling invoerrechten personenauto op grond van Verordening Vrijstellingen
Belanghebbende verzocht om vrijstelling van invoerrechten voor een ingevoerde personenauto, merk Citroën C6. De inspecteur wees dit verzoek af omdat niet was voldaan aan de zesmaandstermijn van bezit en gebruik voorafgaand aan het opgeven van de normale verblijfplaats, zoals vereist in artikel 3, onderdeel a, van de Verordening (EEG) nr. 918/83.
De Douanekamer van het Gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank die het bezwaar van belanghebbende ongegrond had verklaard. De kern van het geschil betrof de uitleg van de zesmaandstermijn en de vraag of het gebruik van de auto in België, als lidstaat van de Europese Gemeenschap, meetelde als gebruik in het land van herkomst (de Verenigde Staten).
De Douanekamer oordeelde dat uitsluitend de officiële teksten van de Verordening in het Publicatieblad van de Europese Unie rechtskracht hebben, waardoor de door belanghebbende aangehaalde Belgische versie geen betekenis heeft. Verder is vastgesteld dat het gebruik van de auto moet plaatsvinden in het derde land van herkomst en dat de periode tussen levering en vertrek uit de Verenigde Staten niet meetelt als gebruik. De auto werd op 13 april 2006 vrijgegeven door de douane in de VS, maar belanghebbende gaf zijn normale verblijfplaats pas op 1 oktober 2006 op, waardoor de zesmaandstermijn niet werd gehaald.
Het beroep op overmacht wegens late levering en de stelling dat de gevolgen disproportioneel zijn, werden verworpen. Ook het beroep op verstoring van de vrije marktwerking werd niet gehonoreerd. De Douanekamer bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de vrijstelling van invoerrechten voor de personenauto wordt bevestigd.