ECLI:NL:GHAMS:2008:BD9207

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/00814
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20a Wet Vpb 1969Art. 21a Wet Vpb 1969Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering verrekening onverrekend verlies na aandeelhouderswijziging

Belanghebbende werd door de inspecteur een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd over het jaar 2004, waarbij een beschikking werd genomen die het verrekenen van verliezen uit voorgaande jaren op nihil stelde. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze verliesverrekeningsbeschikking, maar dit werd door de inspecteur ongegrond verklaard. De rechtbank Haarlem verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en stelde een deel van het verlies uit 2000 en 2002 vast voor verrekening.

In hoger beroep stond centraal of het nog onverrekende verlies uit 1993 terecht was geweigerd op grond van artikel 20a, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Het hof nam het oordeel van de rechtbank over dat vanwege een belangrijke wijziging in het uiteindelijke belang van belanghebbende de verliesverrekening niet is toegestaan. De gehele keten van vennootschappen moet worden doorlopen om de uiteindelijke aandeelhouder vast te stellen.

Het hof oordeelde dat de rechtbank de feiten juist had vastgesteld en dat geen nieuwe feiten waren aangevoerd die tot een ander oordeel konden leiden. Daarom werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 9 juli 2008 door de belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Het hof bevestigt dat het verlies uit 1993 niet mag worden verrekend vanwege wijziging in het uiteindelijke belang van de aandeelhouder.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
Kenmerk P07/00814
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] B.V. gevestigd te [Z],
belanghebbende,
tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 07/286 van de rechtbank Haarlem van 30 augustus 2007 in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor Utrecht Gerbrandystraat,
de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2004 een aanslag vennootschaps-belasting opgelegd gedagtekend 31 juli 2006, berekend naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van € 36.252. Het Hof gaat ervan uit dat gelijktijdig met de aanslag op de voet van artikel 21a, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2004; hierna: de Wet) een beschikking is genomen houdende het vaststellen op nihil van het met de winst van 2004 te verrekenen verlies van voorgaande jaren (hierna: de verliesverrekenings-beschikking).
Na tegen de (fictieve) verliesverrekeningsbeschikking gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 9 november 2006, het bezwaar ongegrond verklaard en die beschikking gehandhaafd.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij beroepschrift van 19 december 2006. Bij uitspraak van 30 augustus 2007, verzonden op 11 september 2007, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 35.940 en het bedrag van het met de belastbare winst van 2004 te verrekenen verlies van voorgaande jaren (2000 en 2002) op € 312 vastgesteld.
Tegen voormelde uitspraak van de rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 18 oktober 2007, door het Hof op dezelfde datum ontvangen. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 14 mei 2008. Ter zitting zijn verschenen namens de inspecteur mr. J.M. Mulder, tot bijstand vergezeld van mr. C.M. Bourgogne. Namens belanghebbende is niemand verschenen. De plaats en het tijdstip waarop de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden zijn belanghebbende tijdig, bij aangetekende post verzonden aan het juiste adres, bekend gemaakt. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.
2. Overwegingen
2.1. Voor de feiten verwijst het Hof naar hetgeen onder 2.1. tot en met 2.6. is vermeld in de uitspraak van de rechtbank. Uit hetgeen in hoger beroep is aangevoerd is niet aannemelijk geworden dat de rechtbank de feiten onjuist heeft vastgesteld.
2.2. In hoger beroep is in geschil of de verrekening van een nog onverrekend verlies van belanghebbende uit 1993 - ten bedrage van € 212.492 - terecht op grond van artikel 20a, eerste lid, Wet Vpb 1969 is geweigerd. Het Hof gaat ervan uit dat het hier een verlies betreft dat ingevolge artikel IV van de wet van 23 december 1994, Stb. 1994, 937, en dat dit verlies met inachtneming van een daartoe bij de aangifte vennootschapsbelasting 1995 gedaan verzoek in beginsel – en behoudens de toepassing van artikel 20a van de Wet – nog verrekenbaar was.
2.3. Nu, naar tussen partijen niet in geschil is, bij het vaststellen van de aanslag ten onrechte geen rekening is gehouden met de carry forward van de verliezen die zijn ontstaan na de aandeelhouderswisseling van 25 juli 2000, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard voor zover het betreft de verrekening van de nog onverrekende verliezen van het jaar 2000 (€ 30) en van het jaar 2002 (€ 282) en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 35.940.
2.4. Voor de standpunten van partijen in hoger beroep verwijst het Hof naar hetgeen in de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting is vermeld.
2.5. Uitgaande van het onder 2.1 overwogene en nu belanghebbende in hoger beroep geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die - indien zij zouden komen vaststaan - een nieuw of ander licht op de zaak (kunnen) werpen, is het Hof van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft beslist dat het verlies van belanghebbende uit 1993 ingevolge artikel 20a, eerste lid, Wet Vpb 1969 niet met de winst van het onderhavige jaar kan worden verrekend. Het Hof maakt deze beslissing en de daartoe door de rechtbank gebezigde gronden tot de zijne.
2.6. Gelet op het vorenoverwogene dient de uitspraak van de rechtbank te worden bevestigd.
2.7. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten in hoger
beroep als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
3. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, J. den Boer en E.F. Faase, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. L.B.M. van Bakel als griffier. De beslissing is op 9 juli 2008 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.