ECLI:NL:GHAMS:2008:BF2087
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over aftrek kosten levensonderhoud dochter in inkomstenbelasting 2003
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2003 vanwege de weigering van aftrek van kosten voor het levensonderhoud van zijn dochter. De dochter had in 2003 een netto-inkomen uit dienstbetrekkingen en maakte uitgaven die deels niet noodzakelijk waren voor een bestaan overeenkomstig haar maatschappelijke positie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat hij meer dan 90% van de kosten voor levensonderhoud van zijn dochter had gedragen. De dochter kon een deel van haar kosten zelf betalen met haar eigen inkomsten, waardoor de aftrek beperkt bleef.
Belanghebbende stelde in hoger beroep dat hij recht had op een hogere aftrek en dat hij erop mocht vertrouwen dat de aftrek ook voor 2003 zou worden toegestaan, gezien eerdere jaren. Het hof oordeelde dat het vertrouwen niet gerechtvaardigd was, mede omdat de inspecteur voor 2003 expliciet een lagere aftrek had toegepast en de aanvullende aangiften voor andere jaren administratief waren afgehandeld zonder inhoudelijke beoordeling.
Het hof bevestigde dat de aftrek beperkt moet blijven tot het verschil tussen de noodzakelijke kosten van levensonderhoud en het bedrag dat de dochter zelf aan niet-noodzakelijke uitgaven had besteed. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.