ECLI:NL:GHAMS:2008:BG1508
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen onrechtmatige hinder of zorgvuldigheidsnormschending door Staat bij grondwaterverontreiniging Kromhoutkazerne
In deze civiele zaak vordert Bouwbedrijf Midreth B.V. namens zichzelf en twee gelieerde vennootschappen schadevergoeding van de Staat wegens vermeende onrechtmatige hinder door grondwaterverontreiniging op het terrein van de Kromhoutkazerne. Midreth stelt dat de Staat de verontreiniging heeft laten voortbestaan tijdens haar bouwactiviteiten en nagelaten heeft tijdig te saneren, waardoor zij hogere bouwkosten heeft moeten maken.
De rechtbank wees de vordering af, en het hof bekrachtigt dit oordeel. Het hof overweegt dat de Staat geen hinder veroorzaakt in de zin van artikel 5:37 BW Pro omdat de verontreiniging zich niet richting het perceel van Midreth verspreidt zonder grondwateronttrekking. Ook is geen sprake van inbreuk op het erfpachtrecht, omdat het niet gaat om het normale gebruik van grondwateronttrekking. De zorgvuldigheidsnorm is niet geschonden omdat de Staat conform het Besluit van 30 juni 2004 niet verplicht was eerder tot sanering over te gaan en Midreth onvoldoende onderbouwde dat de Staat onzorgvuldig heeft gehandeld.
Verder oordeelt het hof dat artikel 13 Wet Pro bodembescherming niet van toepassing is omdat Midreth onvoldoende heeft gesteld dat de Staat na 1987 handelingen heeft verricht die tot verontreiniging hebben geleid. De grieven van Midreth falen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd. Midreth wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vordering van Midreth af wegens ontbreken van onrechtmatig handelen door de Staat.