ECLI:NL:GHAMS:2008:BG3723
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- R.J.M. Smit
- M.A. Goslings
- J.H. Huijzer
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij vorderingen tegen bestuurder buitenlandse vennootschap
In deze zaak staat de vraag centraal of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen van een curator tegen personen die betwisten bestuurder te zijn geweest van een Nederlandse naamloze vennootschap ([Z] N.V.). De appellant [X], woonachtig in Zweden, betwist dat hij bestuurder was, waardoor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ter discussie staat. Het hof overweegt dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter wordt beheerst door de EEX-Verordening en de Insolventieverordening, en niet door het Nederlandse recht.
Het hof oordeelt dat het benoemingsbesluit van [X] als bestuurder nietig is op grond van artikel 2:14 BW Pro, waardoor [X] nooit bestuurder is geweest, ook al zou hij zich als zodanig hebben gedragen. Hierdoor ontbreekt de grondslag voor de vorderingen tegen hem en is de Nederlandse rechter onbevoegd om van deze vorderingen kennis te nemen. Dit leidt tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover het de bevoegdheid ten aanzien van [X] betreft.
Ten aanzien van [Y], eveneens bestuurder van [Z], bevestigt het hof de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van de vorderingen op grond van artikelen 2:9, 2:138, 2:139 en 6:162 BW, mede omdat [Y] als bestuurder verantwoording aan de aandeelhouders in Nederland moest afleggen en de feiten zich in Nederland hebben voorgedaan. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover het deze bevoegdheid betreft.
Het arrest bevat tevens een kostenveroordeling en bepaalt dat tegen het tussenarrest beroep in cassatie kan worden ingesteld.
Uitkomst: De Nederlandse rechter is onbevoegd ten aanzien van de vorderingen tegen [X], maar bevoegd ten aanzien van de vorderingen tegen [Y].