ECLI:NL:GHAMS:2009:BH4125
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep kort geding
- A. Smeeïng-van Hees
- A.M.C. Groen
- F.W.J. Meijer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid en opheffing conservatoir beslag op woning
In deze zaak stond de ontvankelijkheid en de inhoudelijke beoordeling van een vordering tot opheffing van conservatoir beslag centraal. Appellanten hadden conservatoir beslag gelegd op hun woning door geïntimeerde sub 2, een vennootschap die volgens registratie was ontbonden. Het hof oordeelde dat de vennootschap nog steeds bestond en dat er een vordering op appellanten rustte tot betaling van een bedrag van €18.233,02 vermeerderd met rente en proceskosten.
Het hof stelde vast dat appellanten niet hadden betaald of reële pogingen daartoe hadden ondernomen. Daarom was het niet gerechtvaardigd het conservatoir beslag op te heffen. Tevens verklaarde het hof appellanten niet-ontvankelijk in hun vordering tegen geïntimeerde sub 1, die niet de partij was die zich namens de vennootschap kon verweren tegen het beslag.
De eerdere beslissing van de voorzieningenrechter werd vernietigd voor zover deze appellanten niet-ontvankelijk had verklaard tegen geïntimeerde sub 2 en de vordering tegen geïntimeerde sub 1 had afgewezen. Voor het overige werd het vonnis bekrachtigd. Appellanten werden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Appellanten zijn ontvankelijk in hun vordering tegen geïntimeerde sub 2, maar deze vordering tot opheffing van het conservatoir beslag wordt afgewezen; tegen geïntimeerde sub 1 zijn zij niet-ontvankelijk.