ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ2380
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A.M.C. Groen
- V. van den Brink
- F.W.J. Meijer
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens ontbreken gronden bij verzoek toepassing schone lei
Appellant, een 45-jarige gescheiden man onder beschermingsbewind, was tijdens een schuldsaneringsregeling vrijgesteld van sollicitatieplicht. De rechtbank had hem de schone lei onthouden omdat hij zonder melding aan de bewindvoerder werkzaamheden verrichtte en daarmee zijn schuldeisers benadeelde. Appellant voerde aan dat hij slechts een vriendendienst verrichtte en niet wist dat er sprake was van betaalde arbeid.
De bewindvoerder handhaafde haar standpunt dat appellant zijn informatieplicht had geschonden door niet te melden dat hij werkte en dat hij in voorlopige hechtenis had gezeten. Het hof stelde vast dat appellant de gronden van zijn hoger beroep pas na de beroepstermijn had aangevoerd en dat geen uitzonderingen op de hoofdregel van ontvankelijkheid golden.
Daarom verklaarde het hof appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. Het hof oordeelde tevens dat appellant terecht de schone lei was onthouden omdat hij tekort was geschoten in zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling en de bewindvoerder niet had geïnformeerd over zijn werkzaamheden en de strafrechtelijke gevolgen daarvan.
Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens het ontbreken van gronden in het beroepschrift.