ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ3371
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- E.A.G. van der Ouderaa
- J. den Boer
- E.F. Faase
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over waardering lening en afwaardering vordering in vennootschapsbelasting 2002
Belanghebbende, een houdstermaatschappij, was samen met haar dochter en aandeelhouder hoofdelijk aansprakelijk voor een lening aan de werkmaatschappij [A BV], die in 2002 in ernstige financiële problemen raakte en in 2003 failliet ging. Het hof bevestigt dat belanghebbende de schuld aan de bank in 2002 als schuld op haar balans mag opvoeren, omdat de werkmaatschappij als eerste aansprakelijke partij geldt en de financiële situatie verslechterde.
Daarnaast mocht belanghebbende haar vordering op haar aandeelhouder, [X], afwaarderen tot het bedrag dat naar verwachting kon worden terugontvangen, gezien het negatieve eigen vermogen en de beperkte aflossingsmogelijkheden van de aandeelhouder. De inspecteur had dit standpunt betwist, maar het hof achtte de afwaardering gerechtvaardigd op grond van het bewijs.
Het hof vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank, stelde het verlies over 2002 vast op € 886.950 en het belastbare bedrag op nihil. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De uitspraak kan binnen zes weken worden aangevochten bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het hof vernietigt de aanslag en stelt het verlies 2002 vast op € 886.950, waardoor het belastbare bedrag nihil is.