ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ6267
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- G.B.C.M. van der Reep
- J.C.W. Rang
- E.J.H. Schrage
- Rechtspraak.nl
Beoordeling noodzaak vernieuwing fundering mandelige muur volgens artikel 5:65 BW
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de vernieuwing van de fundering van een mandelige muur noodzakelijk was in de zin van artikel 5:65 Burgerlijk Pro Wetboek, zodat de kosten daarvan op alle mede-eigenaren konden worden verhaald. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de eisen van cumulatie van artikel 5:65 en Pro 3:172 BW gelden, maar het hof beperkte dit tot artikel 5:65 BW Pro.
Het hof heeft de noodzaak van de vernieuwing onderzocht aan de hand van deskundigenrapporten van partijen. De rapporten van de deskundigen Berkhout en Fugro gaven aan dat de fundering in een matige tot redelijke staat verkeerde en dat direct herstel niet noodzakelijk was. Het rapport van Hoogeboom gaf aan dat onaanvaardbare zettingen pas binnen zeven jaar te verwachten waren.
Het hof concludeerde dat de stellingen van Nobillon c.s. onvoldoende waren om de noodzaak van vernieuwing aan te tonen. Daarbij werd benadrukt dat het begrip 'noodzaak' terughoudend moet worden uitgelegd om onverwachte kosten zonder overleg te voorkomen. De vordering van Nobillon c.s. werd daarom afgewezen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: De vordering tot vergoeding van de kosten van funderingsvernieuwing wordt afgewezen wegens onvoldoende aantoonbare noodzaak.