ECLI:NL:GHAMS:2009:BK5240
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A.M. van Amsterdam
- F.J.P.M. Haas
- A.O. Lubbers
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen navorderingsaanslag inkomstenbelasting wegens vermeende drugshandelinkomsten
Belanghebbende werd strafrechtelijk veroordeeld voor het handelen in verdovende middelen op 19 mei 2003. Op basis van deze veroordeling en bescheiden die tijdens een doorzoeking werden aangetroffen, legde de inspecteur een navorderingsaanslag inkomstenbelasting op over het jaar 2002, vermeend voortkomend uit drugshandel.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende grotendeels ongegrond, maar matigde de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en de aanslagverhoging.
Het Hof oordeelt dat de strafrechtelijke veroordeling slechts betrekking heeft op het handelen op 19 mei 2003 en niet op het jaar 2002. De bescheiden zijn niet gedateerd en bevatten onvoldoende aanwijzingen dat zij betrekking hebben op 2002. De combinatie van de strafrechtelijke veroordeling en de bescheiden is onvoldoende om aan te nemen dat belanghebbende in 2002 inkomsten uit drugshandel heeft genoten.
Daarom vernietigt het Hof de uitspraak van de rechtbank, de aanslag en de boetebeschikking, vermindert de aanslag tot het aangegeven bedrag van € 13.085 en veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: Het Gerechtshof vernietigt de navorderingsaanslag en boetebeschikking en vermindert de aanslag tot het aangegeven belastbaar inkomen van € 13.085.