ECLI:NL:GHAMS:2009:BL1956

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.043.091-01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 lid 4 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bij verzoek schuldsanering wegens huurachterstand

Appellant X heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing door de rechtbank van zijn verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Tevens heeft hij een verzoek tot voorlopige voorziening ingediend om ontruiming van zijn woning door Stichting IJmere te voorkomen totdat op het hoger beroep is beslist.

Het hof oordeelt dat het bevoegd is kennis te nemen van het verzoek tot voorlopige voorziening, ook al is dit niet expliciet in de wet geregeld, omdat het verzoek dient ter overbrugging van de periode tussen indiening en beslissing op het hoofdverzoek. Stichting IJmere is in de gelegenheid gesteld haar standpunt kenbaar te maken en is daardoor niet in haar belangen geschaad.

Echter, het hof wijst het hoofdverzoek tot schuldsanering af en overweegt dat op grond daarvan ook het verzoek tot voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Artikel 287 lid 4 Fw Pro biedt slechts bevoegdheid tot het treffen van een voorlopige voorziening in spoedeisende zaken ter overbrugging van de periode tussen indiening en beslissing op het verzoek tot schuldsanering.

De voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen en het arrest is gewezen door de drie rechters op 18 september 2009.

Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het hoofdverzoek tot schuldsanering is afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
Arrest van 18 september 2009 naar aanleiding van een verzoek om voorlopige voorzieningen in de zaak met zaaknummer 200.043.091/01 van:
X,
APPELLANT,
advocaat: mr. S. Faber te Haarlem,
t e g e n
de stichting STICHTING YMERE,
gevestigd te Amsterdam,
GEÏNTIMEERDE.
1. Het geding
1.1. Appellant is bij op 26 augustus 2009 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van de beslissing van de rechtbank Haarlem van 18 augustus 2009 met rekestnummer 155549, waarbij het verzoek van X tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen.
1.2. Op 11 september 2009 heeft X een verzoekschrift voorlopige voorziening ex artikel 287 lid 4 Fw Pro ingediend.
1.3. Voornoemd verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 15 september 2009. Bij die behandeling is X verschenen, bijgestaan door zijn advocaat voornoemd. Voorts is namens IJmere de heer Z verschenen.
2. De gronden van de beslissing
2.1. X heeft uitvoerbaar bij voorraad verzocht een voorlopige voorziening te treffen en de ontruiming door de Stichting IJmere van zijn woning te verbieden totdat op het hoger beroep tegen de afwijzing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is beslist. X heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij niet steeds in staat is geweest maandelijks zijn huur te voldoen, daar hij geen vaste baan meer heeft en daardoor onregelmatig inkomsten ontvangt. Hij doet echter zijn uiterste best en heeft onlangs tweemaal een bedrag van € 500,- en eenmaal € 250,- voldaan, zodat het door Stichting IJmere opgegeven bedrag aan achterstand in huurbetalingen niet klopt, aldus X.
2.2. Stichting IJmere heeft bezwaar gemaakt tegen toewijzing van het verzoek van X. Primair heeft Stichting IJmere verzocht X niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek omdat het verzoekschrift bij de rechtbank ingediend behoort te worden. Het hof begrijpt dit verweer aldus dat Stichting IJmere het hof verzoekt zich onbevoegd te verklaren van het onderhavige verzoek van X kennis te nemen. Stichting IJmere heeft voorts aangevoerd dat X reeds eerder een huurachterstand heeft laten ontstaan en vaak zijn huur te laat heeft betaald.
2.3. Het hof acht zich bevoegd van de door X gevraagde voorlopige voorziening kennis te nemen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
De regeling van artikel 287 lid 4 Fw Pro strekt er toe de periode tussen de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling en de beslissing daarop te overbruggen en is vooral bedoeld ter vervanging van de bij de wijziging van de Faillissementswet afgeschafte voorlopige toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het oproepen van betrokken partijen bij de behandeling van het verzoek in eerste aanleg is ten aanzien van deze procedure niet wettelijk geregeld.
In artikel 287 lid 4 Fw Pro staat weliswaar dat het verzoek bij de rechtbank ingediend moet worden, maar gezien de strekking van de wet, een voorziening geven zolang er nog niet definitief is beslist op een verzoek tot toepassing van de schuldsanering, is het hof van oordeel dat dit verzoek ook bij afzonderlijk verzoekschrift bij het hof kan worden ingediend indien tegen een door de rechtbank afgewezen verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling hoger beroep is ingesteld en hierop nog niet is beslist.
Nu Stichting IJmere voor de terechtzitting waarop het verzoek is behandeld, is opgeroepen en in de gelegenheid is gesteld haar standpunt ter zake van het verzoek van X kenbaar te maken, van welke gelegenheid zij ook gebruik heeft gemaakt, kan niet worden volgehouden dat zij in haar belangen is geschaad.
2.4. Bij arrest van heden is het verzoek van X tot toelating tot de schuldsanering door het hof afgewezen. Naar het oordeel van het hof dient reeds hierom ook het onderhavige verzoek van X tot het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen. Immers artikel 287 lid 4 Fw Pro geeft – zoals hiervoor reeds overwogen - in spoedeisende zaken slechts de bevoegdheid om ter overbrugging van de periode tussen de indiening van en de beslissing op het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling een voorlopige voorziening bij voorraad te treffen.
3. De beslissing
Het hof:
- wijst het verzoek tot het treffen van de voorlopige voorziening af.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.D.R.M. Boumans, A. Bockwinkel en S. Clement en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 18 september 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.