ECLI:NL:GHAMS:2009:BL9139

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
8 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
106.006.346/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen aansprakelijkheid jachthaven voor brand op winterberging volgens HISWA-voorwaarden

In deze zaak stond de uitleg van artikel 8 van Pro de HISWA-voorwaarden centraal, die onderdeel uitmaken van de overeenkomst tussen de jachthaven en AXA, verzekeraar van de huurder van een lig- of bergplaats. Het hof bevestigde dat deze voorwaarden kenmerken dragen van zowel een huurovereenkomst als een bewaarnemingsovereenkomst, waarbij een zorgplicht van de jachthaven onderzocht moest worden.

De HISWA-vereniging lichtte toe dat in de branche een zekere mate van schuld vereist is voor aansprakelijkheid van de gebruiker van de voorwaarden. Dit werd ondersteund door uitspraken van de Geschillencommissie waarin werd benadrukt dat de verhuurder weliswaar een zekere verantwoordelijkheid draagt, maar niet het volledige risico. De jachthaven dient bovendien behoorlijk toezicht te houden, maar de consument blijft zelf verantwoordelijk voor het verzekeren en beveiligen van zijn boot.

Het hof vond de stellingen van AXA onvoldoende om aan te nemen dat de jachthaven haar contractuele zorgplicht had geschonden of onvoldoende toezicht had gehouden. Ook het gebrek aan informatie over de brandoorzaak en verzekeringsdekking was onvoldoende om aansprakelijkheid te aanvaarden. Het hof vernietigde de eerdere vonnissen en wees de vordering van AXA af, waarbij AXA werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het hof wijst de vordering van AXA af en oordeelt dat de jachthaven niet aansprakelijk is voor de brand op de winterberging.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
VIJFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
[jachthaven] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
APPELLANTE,
advocaat: mr. P.N. van Regteren Altena, te Amsterdam,
t e g e n
de vennootschap naar Duits recht AXA VERSICHERUNG AG,
gevestigd te Keulen, Duitsland,
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: voorheen mr. F.B. Falkena, te Amsterdam,
thans mr. A. Knigge, te Amsterdam.
1. Het (verdere) geding in hoger beroep
1.1 Het hof heeft in deze zaak op 4 november 2008 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die dag verwijst het hof naar dit arrest.
Partijen zullen hierna opnieuw [jachthaven] en AXA worden genoemd.
1.2 [Jachthaven] heeft na het tussenarrest een akte genomen, daarbij aanvullende producties in het geding gebracht en bewijs aangeboden. AXA heeft daarop gereageerd met een antwoordakte na tussenarrest.
1.3 Vervolgens heeft [jachthaven] van haar kant een antwoordakte genomen, waarop AXA heeft gereageerd met een antwoordakte.
1.4 Ten slotte hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen op basis van de stukken van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.
2. (Verdere) behandeling van het hoger beroep
2.1 Het hof blijft bij hetgeen het in zijn tussenarrest heeft overwogen en beslist.
2.2 In zijn tussenarrest heeft het hof aanvaard dat van de tussen partijen gesloten overeenkomst deel uitmaken de Algemene Voorwaarden huur en verhuur lig- en/of bergplaatsen van de HISWA (verder: de HISWA-voorwaarden).
Verder heeft het hof geoordeeld dat de overeenkomst van partijen kenmerken in zich draagt van een huurovereenkomst en van een overeenkomst tot bewaarneming. Daaraan heeft het hof de gevolgtrekking verbonden dat hoe dan ook moet worden onderzocht of de door AXA gestelde zorgplicht deel uitmaakt van de contractuele verplichtingen van [jachthaven], alsmede of deze tot aansprakelijkheid van [jachthaven] kan leiden. Het hof heeft artikel 8 van Pro de HISWA-voorwaarden aangewezen als de in dit verband cruciale bepaling. [Jachthaven] kreeg de gelegenheid haar standpunt aangaande de uitleg van die bepaling nader toe te lichten, in het bijzonder aan de hand van een eventuele toelichting van HISWA, Consumentenbond en/of ANWB waaruit blijkt van de achtergronden van artikel 8 van Pro de HISWA-voorwaarden en wat met dat artikel is beoogd.
2.3 [Jachthaven] heeft in haar akte na tussenarrest betoogd dat artikel 8 van Pro de HISWA-voorwaarden aldus moet worden uitgelegd dat voor de in genoemd artikel 8 bedoelde Pro aansprakelijkheid een bepaalde mate van schuld is vereist. Zij heeft zich ter ondersteuning van die stelling beroepen op aanvullend bewijsmateriaal.
2.4 In de eerste plaats heeft [jachthaven] verwezen naar een brief van de HISWA Vereniging dd. 19 januari 2009, waarin deze vereniging antwoord geeft op de vraag van [jachthaven] naar de betekenis die de HISWA Vereniging toekent aan artikel 8 HISWA Pro-voorwaarden. Dat antwoord luidt onder meer als volgt:
“De HISWA Algemene Voorwaarden komen onder auspiciën van de Sociaal Economische Raad (SER) in de Coördinatiegroep Zelfregulering (CZ) tot stand. Doelstelling is om in dit overleg tussen enerzijds HISWA Vereniging en anderzijds ANWB en Consumentenbond te komen tot evenwichtige voorwaarden. Over de onderhavige voorwaarden is in 1991 tussen partijen overleg gevoerd. Mr. [medewerker] (SER) heeft op ons verzoek de notulen die betrekking hebben op dit onderwerp opgezocht en naar ons toegezonden. Uit deze notulen blijkt dat de vertegenwoordiger van de consumentenorganisatie voor de uitleg van dit artikel in een concrete situatie verwijst naar het standpunt van de Geschillencommissie. (…)
De Geschillencommissie heeft over dit onderwerp meerdere uitspraken gedaan (…).
In de uitspraak van 18 januari 2001 (…) zegt de commissie (…):
‘De aansprakelijkheid van verhuurder van een lig- of bergplaats verschilt wezenlijk van die van de bewaarnemer, op wie een zwaardere zorgplicht rust. In de HISWA-voorwaarden is, na zorgvuldige belangafweging in overleg met HISWA Vereniging, de Consumentenbond en de ANWB, gekozen voor de regeling in artikel 8 van Pro de HISWA-voorwaarden huur en verhuur lig- en/of bergplaatsen. Daaruit volgt dat de verhuurder van een lig- of bergplaats weliswaar een zekere verantwoordelijkheid draagt, doch geen volledig risico. Er dient sprake te zijn van een bepaalde mate van schuld (verwijtbaarheid) van de ondernemer. Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de schade is ontstaan door toedoen van één van zijn medewerkers. In nauwe samenhang hiermee bepalen de voorwaarden dat de verhuurder ‘behoorlijk toezicht’ dient te houden (artikel 7 lid Pro 2). Het voorgaande brengt mee dat de schade pas aan de ondernemer is toe te rekenen indien de consument aantoont dat er sprake is van een bepaalde mate van verwijtbaarheid c.q. onvoldoende toezicht.’
In dezelfde trant is ook de meer recente uitspraak van 13 november 2007 (…) waarin de Commissie op pagina haar (bovengenoemde) overweging uit 2001 nog een keer herhaalt.
Door de samenhang van artikel 8 met Pro artikel 7 van Pro de betreffende voorwaarden is de uitspraak van 4 januari 2007 (…) ook relevant. De Commissie zegt in deze uitspraak op pagina 3 het volgende:
‘Ingevolge artikel zeven, tweede lid van de toepasselijke HISWA-voorwaarden is de ondernemer gehouden voldoende toezicht te houden om de goede gang van zaken op het haventerrein en op de vaartuigen te handhaven. Deze bepaling vrijwaart consumenten echter niet tegen het risico van diefstal. Het is primair de taak van de consument zelf om zich te beschermen tegen (de gevolgen van) diefstal van zijn boot, door zich te verzekeren en door de boot goed vast te leggen.’
HISWA Vereniging volgt met betrekking tot de uitleg van artikel 8 van Pro de onderhavige voorwaarden het al enige jaren gehanteerde standpunt van de Geschillencommissie.”
Verder zijn de uitspraken van de Geschillencommissie die in de brief van de HISWA Vereniging worden genoemd door [jachthaven] in het geding gebracht. De citaten waarvan de HISWA Vereniging melding maakt zijn daarin terug te vinden.
2.5 AXA heeft niet bestreden dat de brief van de HISWA Vereniging inzicht geeft in de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 8 van Pro de HISWA-voorwaarden en de wijze waarop aan die bepaling na invoering toepassing is gegeven.
Dat betekent dat in dit geding is komen vast te staan dat in de branche waarbinnen [jachthaven] opereert, kenbare opvattingen bestaan over de uitleg van artikel 8 HISWA Pro-voorwaarden.
AXA heeft in het bijzonder ook niet bestreden dat de branche-opvattingen over artikel 8 inhouden Pro dat voor aansprakelijkheid van de gebruiker van de Hiswa-voorwaarden een bepaalde mate van schuld is vereist.
Dat betekent dat in dit geding uitgangspunt mag zijn dat artikel 8 overeenkomstig Pro de branche-opvattingen de bedoeling heeft dat voor aansprakelijkheid van de gebruiker van de Hiswa-voorwaarden een bepaalde mate van schuld is vereist.
2.6 Naar het oordeel van het hof komt bij de uitleg van artikel 8 van Pro de HISWA-voorwaarden aan die branche-opvattingen belangrijke betekenis toe, ook al zijn zij aanvankelijk in dit geding onderbelicht gebleven. Het hof brengt hier in herinnering dat het al in het tussenarrest heeft overwogen dat het, de totstandkomingsgeschiedenis van de HISWA-voorwaarden in aanmerking genomen, voor de hand ligt voor de uitleg van artikel 8 terug Pro te grijpen op meer ‘objectieve factoren’.
2.7 Hetgeen AXA heeft betoogd geeft het hof geen aanleiding om voor een andere uitleg van artikel 8 te Pro kiezen dan in de branche te doen gebruikelijk is.
De beperking van de aansprakelijkheid van de gebruiker van de HISWA-voorwaarden tot die gevallen waarin die gebruiker een bepaalde mate van schuld wordt verweten, heeft goede zin, doordat het de verantwoordelijkheid voor de zaak die aan de gebruiker van de HISWA-voorwaarden wordt toevertrouwd verdeelt over de gebruiker van die voorwaarden en de eigenaar van de zaak. De “verhuurder” van een lig- of bergplaats krijgt weliswaar een zekere verantwoordelijkheid te dragen, doch geen volledig risico. Illustratief is in dit verband de verbinding die door de Geschillencommissie is gelegd met artikel 7 lid 2 van Pro de HISWA-voorwaarden waarin van de gebruiker van de HISWA-voorwaarden wordt verlangd dat deze behoorlijk toezicht houdt op het haventerrein en op de vaartuigen. Die verbinding geeft houvast voor de omvang van de verantwoordelijkheid die op de gebruiker van de HISWA-voorwaarden rust.
Het hof heeft in de stellingen van AXA geen aanknopingspunt aangetroffen op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat haar verzekerde reden had om een andere verdeling van verantwoordelijkheid te veronderstellen. De omstandigheid dat haar verzekerde gekozen heeft voor een casco-verzekering van de zeilboot wijst bepaald in de richting dat deze meende ten minste een groot deel van de relevante risico’s zelf te dragen.
2.8 De stellingen van AXA zijn verder ontoereikend voor de gevolgtrekking dat [jachthaven] jegens [huurder lig- of bergplaats] haar contractuele zorgplicht heeft geschonden dan wel zich voor haar aansprakelijkheid niet zou hebben vrijgetekend. Die stellingen zijn in het bijzonder ook ontoereikend om te aanvaarden dat [jachthaven] onvoldoende toezicht heeft gehouden.
[Jachthaven] kan niet aansprakelijk worden gehouden voor de schade die [huurder lig- of bergplaats], de verzekerde van AXA, heeft geleden door de brand die op 21 januari 2003 op het terrein van [jachthaven] heeft gewoed.
AXA heeft na het tussenarrest opnieuw aangevoerd dat [jachthaven] te weinig informatie heeft verstrekt over de oorzaak van de brand. Die kwestie heeft het hof evenwel beslist in zijn tussenarrest. Hetgeen AXA na het tussenarrest heeft aangevoerd geeft geen aanleiding daarover thans anders te denken. Daarbij verdient nog vermelding, dat AXA de gronden voor aansprakelijkheid van [jachthaven] heeft aan te dragen; voor een uitzondering op deze regel bestaat onvoldoende grond.
AXA heeft na het tussenarrest verder betoogd dat [jachthaven] onvoldoende heeft opgehelderd over welke (aansprakelijkheids)verzekeringsdekking zij beschikte en welke kosten daarmee waren gemoeid. Ook dit betoog is tardief. Het hof volstaat met te verwijzen naar hetgeen het in rechtsoverweging 3.18 van het tussenarrest heeft overwogen. Bovendien heeft AXA bij verdere bespreking van dit verweer geen belang, omdat het hof de door AXA gestelde aansprakelijkheid van [jachthaven] niet heeft aanvaard.
2.9 Uit bovenstaande overwegingen vloeit voort dat [jachthaven] succes heeft met haar grieven III tot en met VII.
3. Slotsom
Grieven I, II en VIII falen.
Grieven III tot en met VII slagen.
De vonnissen waarvan beroep kunnen niet in stand blijven. Het hof zal deze vernietigen en de vordering van AXA alsnog afwijzen. Er zijn geen stellingen uit de eerste aanleg onbesproken gebleven die aan deze beslissing in de weg staan. Bewijslevering is niet nodig.
AXA is de in het ongelijk gestelde partij. Zij heeft de proceskosten te dragen, zowel die van de eerste aanleg als die van het hoger beroep.
4. Beslissing
Het hof:
vernietigt de vonnissen die de rechtbank Alkmaar op 23 maart 2005 en 13 december 2006 heeft gewezen onder zaak/rolnummer 78560/HA ZA 05-125 respectievelijk 81176/HA ZA 05-559 en, opnieuw rechtdoende,
wijst de vordering van AXA af;
veroordeelt AXA in de proceskosten en begroot deze kosten tot de dag van deze uitspraak aan de zijde van [jachthaven] voor de eerste aanleg op € 1.566,93 voor verschotten en € 1.788,- voor salaris advocaat en voor het hoger beroep op € 2.110,85 voor verschotten en € 5.708,50 voor salaris advocaat;
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.B.C.M. van der Reep, C.A. Joustra en E.J.H. Schrage en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 december 2009 door de rolraadsheer.