ECLI:NL:GHAMS:2009:BL9258
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bewijslastverdeling bij gebruik woning door huurder in geschil tussen verhuurder en huurder
In deze civiele zaak vordert verhuurder IntermarisHoeksteen de ontbinding van de huurovereenkomst met huurder [R] op grond dat zij de woning niet meer zelf als hoofdverblijf gebruikt. De kantonrechter had reeds geoordeeld dat de verhuurder onvoldoende bewijs had geleverd om aan te tonen dat de huurder de woning niet meer bewoont, mede gelet op de beslotenheid van het huiselijk leven en de betwisting van de huurder.
Het hof bevestigt dat de verhuurder de bewijslast draagt voor de stelling dat de huurder het gehuurde niet meer zelf bewoont. De huurder heeft deze stelling gemotiveerd betwist met onder meer schriftelijke getuigenverklaringen die niet onmiskenbaar ongeloofwaardig zijn. De verhuurder heeft ondanks een bewijsopdracht in eerste aanleg en een bewijsaanbod in hoger beroep geen concreet bewijs geleverd.
Het hof wijst erop dat de beslotenheid van het huiselijk leven een complicatie vormt bij het vergaren van bewijs, maar dat dit niet betekent dat de verhuurder kan volstaan met vermoedens. De huurder hoeft slechts gemotiveerd te stellen dat hij de woning nog zelf bewoont. De vorderingen van de verhuurder worden daarom afgewezen en de vonnissen van de kantonrechter bekrachtigd.
De verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en uitgesproken op 15 december 2009.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van de verhuurder af en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.