ECLI:NL:GHAMS:2010:BM0951
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- L.A.J. Dun
- J.M.J. Chorus
- M.F.J.M. de Werd
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs betrokkenheid bij invoer cocaïne
De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 16 augustus 2006, althans in de periode van 14 juli tot en met 16 augustus 2006, binnen Nederland en/of de Nederlandse Antillen een handelshoeveelheid cocaïne had ingevoerd. De rechtbank Haarlem sprak de verdachte vrij van deze tenlastelegging.
Het openbaar ministerie ging in hoger beroep tegen deze vrijspraak, maar het hof verklaarde het hoger beroep voor zover gericht tegen de vrijspraak niet-ontvankelijk. Na onderzoek van het dossier en de zittingen in hoger beroep oordeelde het hof dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was geleverd dat de verdachte betrokken was bij de invoer van de cocaïne.
Hoewel de verdachte contacten had met een mededader op de dag van de inbeslagname en daarna, kon dit niet worden aangemerkt als bewijs van betrokkenheid bij het feit zoals bedoeld in de Opiumwet. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het aan het oordeel van het hof was onderworpen en sprak de verdachte vrij van het onder 1 tenlastegelegde feit.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van betrokkenheid bij invoer van cocaïne.