ECLI:NL:GHAMS:2010:BM1896
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- H.E. Kostense
- J. den Boer
- E.F. Faase
- Rechtspraak.nl
Beoordeling deelnemingsvrijstelling voor aandelenbezit in softwarebedrijf Y BV
Belanghebbende, een BV, hield aandelen in Y BV via een managementstructuur en een deelneming in Q BV. Zij bracht een waardevermindering van haar aandelen in Y BV ten laste van haar resultaat over 2001, wat door de inspecteur werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond.
In hoger beroep oordeelt het Hof dat het aandelenbezit van belanghebbende in Y BV kwalificeert als een gelijkgestelde deelneming volgens artikel 13 Wet Pro Vpb 1969. Dit betekent dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is, waardoor de waardevermindering niet als kostenpost in aanmerking komt. Het Hof baseert dit op de betrokkenheid van belanghebbende via haar bestuurder A bij het management van Y BV, de formele invloed via het prioriteitsaandeel van Q BV, en de beperkte verhandelbaarheid van de aandelen.
Hoewel belanghebbende slechts een klein aandelenbelang had en beperkte feitelijke invloed kon uitoefenen, is dit onvoldoende om het aandelenbezit als belegging aan te merken. Het Hof bevestigt daarmee het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de deelnemingsvrijstelling is van toepassing, waardoor de afwaardering niet ten laste van het resultaat mag worden gebracht.