ECLI:NL:GHAMS:2010:BM2542
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J.D.L. Nuis
- D.J.M.W. Paridaens-van der Stoel
- P.A.M. Hoek
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep ontnemingsvordering wederrechtelijk verkregen voordeel bij vermogendelicten
De veroordeelde werd in eerste aanleg veroordeeld voor diverse vermogendelicten, waaronder valsheid in geschrift en opzetheling, waarbij meerdere goederen met een gestolen creditcard waren aangeschaft en in beslag genomen. Na afstand van deze goederen werden zij ruim 2,5 jaar later door het Openbaar Ministerie aan de veroordeelde teruggegeven met het oog op het doen van een ontnemingsvordering.
Het hof oordeelt dat deze teruggave in strijd is met het dwingende karakter van artikel 116, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat voorschrijft dat teruggegeven voorwerpen slechts mogen worden behandeld alsof zij verbeurd verklaard zijn of aan het verkeer zijn onttrokken. Hierdoor laat het hof de goederen buiten beschouwing bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De raadsvrouw van de veroordeelde voerde diverse verweren aan over de waardering van de goederen en het vermeende voordeel, waaronder dat de goederen hun waarde hadden verloren en dat de veroordeelde geen voordeel had genoten. Het hof verwerpt deze verweren, stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €2.239,50 en wijst de ontnemingsvordering van het OM toe.
De veroordeelde wordt verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank Haarlem van 4 juli 2008 en doet opnieuw recht op basis van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Uitkomst: De veroordeelde wordt verplicht tot betaling van €2.239,50 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.