ECLI:NL:GHAMS:2010:BM9912
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- E.F. Faase
- E.A.G. van der Ouderaa
- J. den Boer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake afwaardering vordering vennootschap in onroerendgoedprojecten
Belanghebbende, behorend tot de [W]-groep, had een vordering op de [V]-groep in verband met onroerendgoedprojecten. De inspecteur legde voor 2003 een ambtshalve aanslag vennootschapsbelasting op, die na bezwaar werd verminderd. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond. In hoger beroep stond centraal of belanghebbende een voorziening mocht vormen voor de vordering op [V].
De inspecteur kwam in hoger beroep niet terug op zijn eerdere intrekking van de stelling dat de vordering niet bestond. Het hof oordeelde dat de vordering als procesfeit moet worden aangenomen. Belanghebbende kon echter niet overtuigend aantonen dat de afwaardering van de vordering in 2003 terecht was, ondanks het overleggen van een ‘totaalovereenkomst’ uit 2008 en verklaringen over de financiële situatie van de [V]-groep.
Het hof bevestigde het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende niet aan de verzwaarde bewijslast had voldaan om de afwaardering te rechtvaardigen. De uitspraak van de rechtbank Haarlem werd bevestigd en de inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten van het incidentele hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat belanghebbende niet heeft aangetoond dat de afwaardering van de vordering terecht was en verklaart het hoger beroep ongegrond.